|
Het zelfreinigend vermogen
Jaren 90

Ludwig ergert zich aan het kabaal van Wagners Walküre, Alma is allergisch
voor de vogelgeluiden van Messiaen en Arnold zal eigener beweging nooit
iets van Boccherini spelen. Zo kent elke muzikant wel een muziek(stuk)
waarmee hij of zij geen affiniteit heeft. Toch kunnen die musici dergelijke
composities doorgaans stilistisch goed vertolken. Dat lijkt ongerijmd.
Je zou zeggen: als iemand iets niet lust, weet hij er ook geen chocola van
te maken.
Nochtans kan het. En dat is maar goed ook, want als het anders was, kon geen
orkest meer iets spelen dat niet op de volledige instemming van alle musici kon
rekenen. Dit psychologisch mechanisme zit onderhuids en werkt als volgt.
Symfonische musici maken deel uit van een grootschalig collectief. En in dat
dynamische gezelschap wordt een minder bezielde individuele bijdrage, doorgaans
door 'de groep' gefilterd en bijgestuurd tot een gemeenschappelijke koers.
Anders gezegd: een twijfelende eenling in een symfonieorkest trekt zich op aan
zijn geïnspireerde buren. Vanzelfsprekend kent dit revisiemodel een grens. Naarmate
een orkest meer musici bevat met een beperkte ontvankelijkheid voor een bepaald
repertoire, stijgt op dat muzikale deelgebied de kans op een artistieke miskraam.
Een orkest dat in meerderheid onpasselijk wordt van Weense walsen, zal nooit
triomfen vieren met Johann Strauss. Het artistieke zelfreinigend vermogen van een
muziekensemble wordt dan ook gemeten via een cliché: hoeveel meer is de gezamenlijke
muzikale potentie, dan de som der delen zou doen vermoeden. Hoe groter dat verschil,
hoe meer Ludwig zich mag ergeren aan Die Walküre. Een voorbeeld van inlevingsvermogen
over en weer.
Lang geleden inmiddels. Het orkest repeteerde een Hoogst Romantische Symfonie. De
bejaarde maar energieke Duitse dirigent Kurt Sanderling - die ieder concertseizoen
in de decembermaand vaste gast bij het Concertgebouworkest was en zichzelf daarom Der Weihnachtsmann
noemde - zette het orkest met overtuigende gebaren in beweging. Het was 's morgens
half tien op een grauwe maandag. En het betrof bovendien de eerste repetitieochtend na
een voorafgaande week vol ontoegankelijke contemporaine muziek, die speeltechnisch en
mentaal veel van het orkest had gevergd. Maar zie, tijdens deze eerste maten klaterde
vanaf de achterste rijen in het orkest een geïnspireerd gespeelde blazerssolo waarvan
alle orkestleden zichtbaar opkikkerden. Toch beantwoordde deze muzikale inspanning niet
geheel aan de interpretatie van de oude meester.
"Heel fraai," sprak Sanderling in lijzig langzaam Duits, "maar ik zou als het ware iets
meer natuur willen horen doorklinken. Stelt u zich de rijzende zon achter de bergen voor."
Het solerende orkestlid, een geboren stadsrat, had zichtbaar moeite met deze impressie maar
wilde de oude maestro gaarne ter wille zijn en speelde de solo nogmaals met verve.
"Veel beter," aldus Sanderling, "maar toch...dauw, ruisende bomen, vogels die ontwaken en
opfladderen..."
De ogen van de blazer sloegen alarm. Het ochtendgloren kende hij slechts van na de laatste
bestelling en gevogelte alleen als een halve kip. Hier klonk een boodschap van een hogere orde.
Gebruik makend van al zijn geestelijke reserves probeerde de orkestsolist zich opnieuw de
pastorale schildering van de orkestleider meester te maken. Deze evenwel, rook plotseling het
onraad en zei snel en vriendelijk: "Ach weet u, ik bedoel eigenlijk meer een liefderijke omarming."
De betrokken musicus reageerde als iemand die zich zojuist van een dringend sanitair probleem had
bevrijd. Hij plaatste het instrument aan de mond en blies. Met gemeend enthousiasme riep Kurt
Sanderling dat dit nu precies de manier van spelen was welke hij bedoelde. De soloblazer knikte
opgelucht, noteerde met een stompje potlood iets in zijn bladmuziek en mompelde: "Piano, dus."
|