|
Zaalcompetitie
april 2008
Er hangt sinds kort iets ‘prestigieus’ in de Hollandse lucht als het
concertzalen betreft. Sterker nog, het davert over de blanke top der duinen.
Zalen! Complexen! Gebouwen! Paleizen! Podia! Cultuurbestuurlijk Nederland
heeft een nieuwe snelweg gevonden.
In Utrecht wordt gewerkt aan een grootschalig muziekpaleis dat qua fluïdum
niet zou misstaan tussen de banktorens aan de Amsterdamse Zuidas of Maashattan
in Rotterdam, regeringsstad Den Haag wil in 2017 een overweldigend zalencomplex
gerealiseerd zien, Almere heeft inmiddels aangekondigd flink te gaan uitpakken
met een nieuw te bouwen centrum voor uitvoerende kunsten en ook in diverse
Brabantse gemeentes roert men de trom van het muzikale verschiet.
Daarbij worden al deze ambitieuze voornemens geplaveid met ‘internationale
uitstraling’ als bestrating. Zo grootscheeps zijn opeens de toekomstplannen
in de verschillende stedelijke agglomeraties, dat je bijna zou gaan geloven
dat het Nederlandse volk en zijn bestuurderen zich massaal onderhorig hebben
gemaakt aan de muzen van de toonkunst en de dans.
De werkelijkheid is prozaïscher. Over een jaar of tien bestaat de mogelijkheid
dat Nederland opnieuw een culturele hoofdstad van Europa mag leveren en dat betekent
geld, prestige en toeristen. Ziedaar de onderliggende reden waarom er thans door
de diverse kandidaatsteden flink wordt getamboereerd.
Nu is daar principieel niks op tegen, want elke middelgrote stad heeft de
plicht haar bevolking een aantal fatsoenlijke culturele lokaties te bieden.
En voor de musici van het Residentie Orkest, die twintig jaar geleden uit
het podiumloos lijden dachten te zijn verlost doch de (min of meer) zelf
gefinancierde Dr. Anton Philipszaal akoestisch hoorden mislukken, is een
nieuwe concertruimte een vorm van gerechtigheid.
Maar wat gebeurt er als de euforie voorbij is? Is er dan nog publiek genoeg
om al die venues te vullen? En gaan die gigantische investeringen in beton
straks niet ten koste van de ‘levende muziek’? In Utrecht vliegen nu al de jazz,
klassiek en pop elkaar in de haren om de toekomstige podiumfinanciering van het
nog te bouwen Muziekpaleis. Het Amsterdamse Muziekgebouw aan ‘t IJ ontvangt
een half miljoen gemeentelijke subsidie omdat de concertexploitatie met geen
mogelijkheid is rond te krijgen, terwijl in diezelfde stad het Koninklijk
Theater Carré met meerdere miljoenen overheidsgeld van de ondergang moet
worden gered. Alleen het Amsterdamse Concertgebouw lukt het - met veel
inspanning en inventiviteit - de exploitatie rond te krijgen. Maar dat
continubedrijf heeft dan ook de vaste huurinkomsten van het Koninklijk
Concertgebouworkest en het grootste aantal bezoekers ter wereld.
Laten we niet vergeten, dat in het verleden de bouw van dure zaalvoorzieningen
meermalen heeft geleid tot ondergang en/of versmalling van de uitvoeringspraktijk
zelf. Het Muziekcentrum Vredenburg kostte het Utrechts Symfonie Orkest de kop
en de bouw van het Muziektheater in Amsterdam liet de Nederlandse Opera geen
ruimte voor een eigen orkest. De toenmalige chef-dirigent Edo de Waart is om
die reden opgestapt voordat hij nog een noot had gedirigeerd. Dus, van te
voren goed doorrekenen of al deze zalen na de feestvreugde nog wel exploitabel
zijn, lijkt mij verstandig koopmanschap. Op een artistieke Betuwelijn zit
niemand te wachten. De musici al helemaal niet.
|
|
|