|
Waar gebeurd
Orkestmuzikanten dragen een loodzware individuele verantwoordelijkheid
voor het algemeen belang, en dat is iets waarvan zij zich uitermate bewust zijn.
Die communale aansprakelijkheid wil nogal wel eens tot benauwd dromen leiden. De
een komt daarbij voortdurend de chefdirigent in de volle tram tegen, die hem bij
die gelegenheid luidkeels de partituur begint voor te zingen. Een ander mist de
orkestbus en moet dan liftend naar de buitensteedse concertzaal zien te komen.
Weer een ander beklimt poedelnaakt het concertpodium en weet daarbij tweeduizend
paar ogen op zich gericht. Allemaal virtual reality gelukkig. Maar soms, heel soms,
en natuurlijk altijd op het meest onverwachte moment, wordt de nachtmerrie realiteit.
Zoals voor de paukenist van één van de hoofdstedelijke symfonieorkesten, die
tijdens een uitvoering van Haydn's Schöpfung in de Amstelveense Kruiskerk eventjes
was weggeslopen. Met ruim een half uurtje 'partituurvrij' was een rondje door de
herfsttuin achter het godshuis een attractief vooruitzicht. Na een kwartiertje
recreatie besloot de paukenist via de kortste weg naar de werkvloer terug te keren,
en overstak daartoe het sappige grasperkje in het midden van de tuin. En bij de eerste
stap op het kort geschoren groen, viel hij met wapperende rokpanden door het kroos
de vijver in. Geloof 't of niet, een muzikant in zulk een noodtoestand denkt maar
één ding: ik mag geen noot missen!.
Dus strompelde de ongelukkige trommelaar de achterdeur van de kerk door tot onder
de planken van het podium. Daar ontkleedde hij zich, wrong zo goed en kwaad als het
ging het rokkostuum uit en besteeg opnieuw de paukenkruk.
De eerste die reageerde was de (contra)fagottist die zojuist in opdracht van de
Heer Das Gewürm had geschapen. Deze - de fagottist dus - draaide zich met opgetrokken
neus om naar zijn rillende collega en fluisterde: "Zeg, stink jij zo?" Maar na het zien
van zijn volledig verzopen collega vroeg hij verbouwereerd: "Tsrgbrd?".
"In de vaver gugleje," snauwde de paukenist terug.
De fagottist viel even stil en raakte toen in een staat van euforie. Met tranen in de
ogen snikte hij de gebeurtenis door naar de vóór hem zittende hoboïsten. En via hún
arabische tamtam bereikte het nieuws de achterste strijkerslessenaars en tenslotte de
gelederen rondom de concertmeester. Zo registreerde de zwaar opgelaten paukenist een
groeiend aantal besmuikte blikken in zijn richting. Ten prooi aan een totale
identiteitscrisis en onmachtig ook maar iets in zijn voordeel te kunnen ondernemen,
zag hij aan de geografische richting van de reacties, dat de weeë walm van modder
en rottende waterplanten de dirigent, de vocale solisten, de leden van het plaatselijke
oratoriumkoor en de eerste rijen van het publiek naderde.
En al wordt hij honderd, tot z'n laatste snik zullen de geestelijke littekens tengevolge
van het voorval hem bij nacht en ontij gillend overeind doen schieten. Dan zit hij met
holle ogen rechtop in bed, zijn keel brandt van dorst en zijn liefhebbende echtgenote
holt toe met een glas verfrissing. Maar hij fluistert hees: "Geen water! In godsnaam
geen water!"
|
|
|