|
Het voorspelde begin
Nadat mij in 1958 door het Amsterdams Conservatorium het eindexamen
was afgenomen, ontving ik een briefje van het Noord-Hollands
Philharmonisch Orkest, waarin mij de functie van remplaçant-slagwerker
werd geboden. Meer dan een complementair soort arbeidsplaats hield de
aanbieding niet in, maar in de jaren vijftig was de werkgelegenheid voor
'klassieke' percussionisten buitengewoon schaars, dus het was toch
an offer I could not refuse.
Bovendien bleek het Haarlemse ensemble het gezelligste orkest van
Nederland, maar dat wist ik toen natuurlijk nog niet. Pal voorafgaand
aan de eerste repetitie van mijn nog ongerepte orkestrale carrière,
doceerde de toenmalige directeur van het hoofdstedelijk conservatorium
- Jan Odé - zijn afzwaaiende muziekstudenten een laatste studium generaal.
Jan Odé was iemand die met sprankelende beeldspraken, zijn studenten de
noodzaak van onvoorwaardelijke onderwerping aan de wetten van de uitvoerende
toonkunst onder ogen wist te brengen.
Zo sprak hij ook bij deze officiële studieafsluiting in de Bachzaal. In
zijn gloedvol en doortimmerd betoog waarmee hij deze verse lichting
beroepsmuzikanten de barre buitenwereld instuurde, verhaalde hij over wat
eens een concertmeester van het Concertgebouworkest was overkomen, toen
deze uit sociale overwegingen een buitenlandse gastdirigent voor een huiselijk
diner had uitgenodigd.
De bezielende bijeenkomst die de violist voor ogen had gestaan, ontpopte
zich als een nachtmerrie. De kapelmeester was gedurende de hele avond aan
het woord geweest en hoofdzakelijk over zichzelf. Om toch nog enigszins tot
een dialoog te geraken, hadden de concertmeester en zijn vrouw wanhopige
pogingen ondernomen een muzikaal terrein ter sprake te brengen, waarop de
maestro zichzelf wat minder begaafd achtte. Tevergeefs. Een zenuwtoeval nabij,
wist het echtpaar de pedante kwast rond één uur in een taxi te duwen. Met een
zucht van verlichting begaven de echtelieden zich naar het slaapvertrek. Maar
nauwelijks waren zij hun bed ingerold of de bel ging langdurig. In het vermoeden
van een alarmerend familiebericht, haastte de concertmeester zich verontrust naar
de voordeur, opende die...en daar stond-ie weer, de dirigent. De maestro wuifde de
taxichauffeur weg, stapte binnen en sprak opgewekt: "Zeg Louis, we hebben het nog
helemaal niet over Beethoven gehad!"
Deze metafoor over het lijden voor de kunst, ondervond grinnikende instemming bij
ons in de zaal. Wat een zelfingenomen snuiter! Zo zouden wij niet worden! Waarna
Odé ons op het verkeerde been zette met de woorden: "Ik hoop dat u net zo
onuitstaanbaar wordt als een dirigent. Dan weet ik tenminste dat u voortdurend met
uw vak bezig bent."
Met deze morele uitsmijter op zak begaf ik mij naar het Haarlemse Concertgebouw.
De kennismaking met de slagwerkcollega's was bijzonder hartelijk en men overhandigde
mij de te spelen (xylofoon)muziek. Het was het Concert voor orkest van Lutoslawski en
niet écht makkelijk voor een debuut. Dus preludeerde ik, ter voorbereiding op de
naderende repetitie, de xylofoonpartij onhoorbaar met de vingertoppen over de houten
toetsen van het instrument. En toen ik daar even mee bezig was, draaide een in het
vak vergrijsde hoboïst zich naar mij om en zei op bekakte toon en het riet in de mondhoek:
"Zeg jonge, hou op met die pestherrie en maak je niet druk. Het is zó voorbij en goeie
dirigenten bestaan niet meer."
Zo haalde Jan Odé terstond zijn gelijk: musici - en orkestmusici in het bijzonder -
dienen zich voortdurend te pantseren tegen de noodzakelijke kapsones van de interpreet
en het verlammende cynisme van hen die alles al eens eerder beter hebben gehoord. Wie
dat niet kan, moet er niet aan beginnen.
|
|
|