|
De slagwerkorkesten van Varèse
De Frans-Amerikaanse componist Edgard Varèse (1883-1965) vond
vibreren ouderwets, blazen okay, maar trommelen het geluid van de
nieuwe tijd. Om die reden bedacht hij de onafhankelijke republiek
van het slagwerk, die hij als een Trojaans paard het symfonisch
koninkrijk binnenvoerde.
Het strijkersvibrato is niet meer van deze tijd. Onze tijd is
percussief. Het slagwerk heeft een klankvitaliteit die andere
instrumenten missen. En omdat slaginstrumenten geen melodisch verhaal
vertellen én voortdurend het verschil tussen metriek en ritmiek aan de
orde stellen, vermijd ik ermee het anekdotische in de muziek.'
In ons relativistisch tijdsgewricht - het rumoer van de twintigste eeuw voorbij
- wekt zo'n getuigenis een wat geëxalteerde indruk. Maar zo en niet anders
formuleerde Edgard Varèse ruim zeventig jaar geleden zijn compositorisch manifest.
En hij was niet de enige voor wie de slaginstrumenten een wezenlijke inspiratiebron
vormden. Om maar twee bekende namen te noemen: Béla Bartók publiceerde rond die tijd
zijn Sonate voor twee piano's en slagwerk en Igor Strawinsky had al eerder
in een soortgelijke gemoedstoestand een kwartet vleugels tot slaginstrument verklaard
(Les Noces; piano's, slagwerk en koor). Hamers zijn hamers, vond hij.
Maar het scheppingsproces dat zich bij Strawinsky als een natuurlijke muzikale
ontwikkeling voltrok, was voor Edgard Varèse een gek makende conceptuele worsteling.
Want Varèse mocht dan radicale denkbeelden koesteren over een nieuwe muziek in een
moderne tijd, zijn inborst was die van een onverbeterlijk romanticus. En je karakter
kun je nu eenmaal niet ontlopen.
Een citaat: 'Het geluid van de tram op de rails, dichtslaande deuren, de staalfabriek,
de drukpersen...ze leveren de geluidsbronnen van een nieuwe pastorale.'
Dat is de beeldspraak van een expressionist met een romaneske gemoedsaard. Geestvervoerende
woorden over een stedelijk landschap, die een arcadische kijk op de technologie verraden.
Een ander citaat: 'De titels van mijn partituren zijn zonder betekenis en dienen slechts
om de werken te catalogiseren. '
Dat klinkt inderdaad afstandelijk. Maar toen Varèse zijn slagwerkcompositie Ionisation
(1931) toelichtte, gaf hij 'de rond slingerende elektronen in een atoom' als metafoor.
Voorwaar een natuurschildering in micron-formaat. Bovendien vielen astronomie en astrologie
bij hem binnen één denkraam. Bij het componeren van zijn meest vitale orkestwerk Arcana
(een naam afkomstig uit een obscure mengeling van wetenschap en sterrenwichelarij),
zag hij zijn vrouw Louise op een vuurtoren zitten en daar als een engel de bazuin steken.
Van zo'n beeld kun je vinden wat je wilt, maar abstract-expressionistisch is het niet.
Er waren natuurlijk meer componisten die hun ode aan 'de nieuwe tijd' op muziekpapier zetten.
Mossolov schreef zijn IJzergieterij en Honegger z'n stoomlocomotief Pacific 231.
Maar die stukken worden gekenmerkt door een relativerende toon, die Varèse juist afwees.
De republiek
Varèse's streven was een nieuwe muziek te schrijven. En omdat hij vond dat de
bestaande instrumentale middelen hem daartoe onvoldoende in staat stelden, richtte
hij zijn aandacht in hoge mate op het slagwerk. Dus neemt het slagwerk in Varèse's
oeuvre een opvallende plaats in.
In Hyperprism (1923), geschreven voor 9 blazers en 13 slagwerkers met 17
slaginstrumenten, bepaalt het slagwerk reeds grotendeels de muzikale gang van zaken.
Tijdens de première werd het publiek daar zo woedend over, dat de uitvoering gestaakt
moest worden en de politie een aantal ordeverstoorders afvoerde naar de dichtstbijzijnde
politiepost. En in Ionisation (1931), zijn magnum opus, bestaat de instrumentale
bezetting zelfs geheel uit slagwerk. Niet toevallig vormen Hyperprism en Ionisation
respectievelijk het begin en het einde van een compositorische periode. Want wat Varèse
na Ionisation schreef is op de vingers van één hand te tellen.
Het slagwerk is bij Varèse tot een autonome sectie binnen het symfonieorkest gemaakt, want
aan klankversmelting kende hij geen hoge prioriteit toe. Het slagwerk mengt zich daarom
slechts incidenteel met de andere orkestgroepen. Varèse's slagwerkorkesten worden bemand
door zo'n zeven tot zeventien slagwerkers, die te zamen tientallen slaginstrumenten beroeren.
Die orkesten zijn ingedeeld van hoog naar laag en daarmee ook van kort naar lang.
Bij de trommen zijn dat achtereenvolgens: de kleine trommen, de tamburin (provençaalse trom),
de roertrommen, de paradetrom, de pauken en de grote trommen.
Bij het metaal: de triangels, de schellen, de klokken, de koebellen, de bekkens, de tamtams
en de gongs
Bij het hout: de xylofoon, de castagnetten, de ratels en de houtblokken.
En daar Varèse in het slagwerk de glijdende schaal miste, bestaat er nog een nevengroep
waarmee dat specifieke resultaat bereikt kan worden: sirenes en lion's roar.
Stadsmuziek
De kracht van Varèse's muziek is, dat zij haaks staat op folklore. De exotische
slaginstrumenten als indian drum, bongo's, claves, maracas, chinese bekkens, temple blocks,
cencerro's en guiro's worden niet gebruikt om hun etnische achtergrond te exploiteren, maar
om de klankruimte die er tussen de traditionele westerse trommels, pauken en bekkens bestaat
te kunnen vullen. In tegenstelling met het werk van tijdgenoten als Cowell, Harrison en
Cage, is er in Varèse's werk geen verwijzing te vinden naar een niet-westers klankidioom.
Integendeel.
Neem Ionisation. Het eerste werk dat er ooit voor alleen slagwerkorkest geschreven
werd. Dit stuk ademt een muzikale wereld die in een industriële stadscultuur is ontstaan.
Ratelend metaal, drums, sirenes en andere niet-sonore geluiden vormen de bouwstenen ervan.
Die brengen, in een sinistere filmische atmosfeer, een langzame mars op gang, die
compliceert in tientallen asynchrone ritmen, welke echter alle verankerd blijven met
het basismetrum. Ze verschillen van elkáár, maar stammen af van dezelfde pulse. Zo
ontstaat een polyfonie van ritme en metriek. Varèse's toonkunst ten voeten uit.
Wees het concept van Varèse nu werkelijk in de tijd vooruit? Het is maar hoe je het bekijkt.
Dat Varèse het slagwerk in één klap de kunstmuziek ingeschreven heeft, is zeker. Na hem was
het hek van de dam. Maar zijn visie op het slagwerk loopt toch vooral vooruit op dat, wat
later in de elektronica werd gezocht. Varèse heeft in die richting ook zelf pogingen gedaan.
Met z'n Poëme electronique bijvoorbeeld, dat hij in samenwerking met de Eindhovense
Philips Studio maakte voor de Wereldtentoonstelling 1958 in Brussel. Nogal een teleurstelling.
Volgens Varèse omdat de Philips-technici niet wilden meewerken, volgens de Philips-technici
omdat Varèse iets wilde wat niet kon. Meestal ligt bij dit soort zaken de waarheid
in het midden. Nu weten we in ieder geval, dat de besturingstechniek van de elektronica
(interface in computerjargon) nog lang niet zo ver was als Varèse had gedacht of gehoopt.
Spijtig voor Varèse, maar zo leeft iedereen altijd wel ergens een beetje te vroeg voor
zijn tijd. Maar zijn slagwerkorkesten klinken als een...eh...klok!
|
|
|