De symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large ©

Terug naar de indexpagina...

Tucht, orde en discrepantie

juni 2008

Een kritisch redactioneel commentaar in de nrc.next met betrekking tot de kwaliteit van het Nederlandse muziekonderwijs leidde tot twee reacties van totaal verschillende aard. Allereerst was er de directeur van het Amsterdams Conservatorium - Hans van Beers - die nogal gebeten op het éditorial reageerde en de vaderlandse beroepsopleidingen als ‘wereldtop’ kwalificeerde. Directeur John Floore van het Limburgs Symfonieorkest (en oud-directeur van het Rotterdams Conservatorium) daarentegen, kon zich geheel vinden in die kritiek en meldde dat zijn orkest vier audities heeft moeten uitschrijven om een Nederlandse fluitist te vinden die de verplichte orkestpartijen een beetje redelijk kon spelen.

Zoals zo vaak in dit soort zaken is de waarheid hier afhankelijk van de perceptie waarmee men naar de feiten kijkt. Van Beers heeft natuurlijk gelijk met zijn mededeling dat er aan de Nederlandse conservatoria vele talentvolle musici afstuderen, die zich vervolgens in een - zoals hij dat noemt - ‘caleidoscopisch’ muziekleven storten. Caleidoscopisch, inderdaad. Jazz, kamermuziek, ensembles, lichte muziek, wereldmuziek, jaarlijks bevolkt een nieuwe conservatoriumgeneratie het bonte vakgebied dat concertpraktijk heet.

Valt er over de bemanning van niet-symfonische muziek dus weinig te klagen, de kwalitatieve toevoer naar de symfonieorkesten inmiddels een bron van zorg. Eén voorbeeld uit vele andere. De Academie van het Koninklijk Concertgebouworkest is vooral tot stand gekomen uit een toenemend onbehagen over het ‘naïeve’ muzikale peil van veel sollicitanten. Zeker, er melden zich gelukkig nog steeds witte raven, maar steeds vaker worden proefspelcommissies geconfronteerd met kandidaten zonder elementaire vaardigheden met betrekking tot ensemblespel en inzicht in de orkestliteratuur. En gezien de Limburgse reactie wordt dat blijkbaar niet alleen in Amsterdam waargenomen.

Nu zou het onjuist zijn deze ontwikkeling aan de kwaliteit van de docenten te wijten. En al helemaal niet aan de docenten die zelf orkestmusicus zijn. Orkesten zijn steeds beter geworden, omdat de speeltechnische kwaliteit van álle musici in de loop der jaren is vergroot. En net als hun voorgangers onderwijzen zij hun leerlingen in de dingen die zij kunnen en kennen.
Nee, een belangrijke, zo niet doorslaggevende oorzaak is dat ergens aan het eind van de vorige eeuw de conservatoria afscheid hebben genomen van de zogeheten orkestopleiding; door de studenten zelf low brow 'orkestklas' genoemd.
Dit conservatoriumorkest repeteerde zo'n tweemaal per week, was een ijzeren verplichting en wie meermaals niet op kwam draven kon zijn opleiding wel vergeten. Tucht, orde en het instampen van repertoire, waarmee zo’n orkestklas lang niet altijd een feest was. Maar ja, aan het vak van orkestmusicus kleeft nu eenmaal een aantal aspecten dat behoort tot de mindere bling bling van het beroep. Zoals het zich eigen maken van de orkestliteratuur en de daarmee verbonden partijstudie. Dag in, dag uit. Telkens opnieuw. En dan spreken wij nog maar niet over het ontwikkelen van de sociale vaardigheden die nodig zijn om als individu te kunnen blijven functioneren binnen een grootschalige gemeenschap als een symfonieorkest. Kortom, de orkestklas mag dan dienstplichtige trekjes hebben gehad, het was wel een buitengewoon nuttig gereedschap in de scholing van iemand die orkestmusicus wilde worden.

Maar in de loop der jaren werd dit opleidingsmodel te weinig glamoureus gevonden, dus droeg men de orkestklas ten grave en introduceerde het zogenoemde ensembleproject. Waarmee het disciplinaire orkestspelonderricht werd ingeruild voor eenmalige muziekspektakels. Meestal een prestigieus evenement met beroemde namen, veel publiciteit en daarmee lucratief als institutionele reclame voor de betreffende onderwijsinstelling.
Let wel, ik ga niet zeggen dat we nu met de gebakken peren zitten en ik pleit ook niet voor een terugkeer naar de krijgstucht van de ouderwetse orkestklas. De wereld verandert en de studenten veranderen mee. Maar de Nederlandse conservatoria zouden zich wel wat scherper bewust kunnen worden van de discrepantie die is ontstaan tussen het eindproduct van de opleidingsinstituut en het instapniveau van de symfonische uitvoeringspraktijk. En zich, in samenspraak met de orkesten, moeten buigen over de vraag, hoe je die kloof op hedendaagse wijze kunt dichten. Doen ze dat niet, dan zal het aantal opleidingsinstellingen buiten het conservatoriumcircuit exponentieel toenemen.