De symfonische muziekpagina's
Door Niels Le Large ©
Terug naar de indexpagina...|
Over Toru Takemitsu
Bij toeval trek ik uit mijn archief een oude foto van een verlegen ogende Japanner met een broodmager ondoorgrondelijk gezicht. Ik herken hem onmiddellijk; het is de componist Toru Takemitsu (1930-1996). Zijn portret leidt mijn herinnering naar een even opvallende als zonderlinge gebeurtenis bij het Concertgebouworkest. Wij schrijven 17 december 1969...
Toen bij aanvang van het abonnementsconcert de podiumdeuren openzwaaiden en het
geroezemoes in de Grote Zaal wegebde, stormde er geen kingsize rokkostuum de
lange trap af, maar schuifelden twee in kimono gestoken en met houten sandalen
geschoeide Japanners voetje voor voetje neerwaarts. Op korte afstand gevolgd door
de boomlange Bernard Haitink, die niet goed raad wist met het geslof voor hem en
daardoor een langzaam slungelige tred hanteerde. Het betrof hier de eerbiedwaardige
mevrouw Kinshi Tsuruta en mijnheer Katsuya Yokoyama, die respectievelijk de biwa
en de shakuhachi bespeelden. Ofwel de Japanse luit en de Japanse bamboefluit. Autodidact
Het verhaal gaat dat Toru Takemitsu (Tokio 1930-1996) op zestienjarige leeftijd
via een militaire radiozender een opname hoorde van Josephine Baker en op slag
besloot componist te worden. Zoiets ruikt naar mythologisering, dus hier is
enige reserve geboden. Wel is waar, dat het vóór en gedurende de Tweede
Wereldoorlog in Japan verboden was westerse muziek te beluisteren, omdat die
officieel tot ontaarde toonkunst was verklaard. Een fascistische maatregel,
gelijk aan de houding van de Duitse nazi's ten opzichte van, bijvoorbeeld, de
'zwarte' jazz. De jonge Takemitsu groeide dus op in een reactionaire omgeving.
Bovendien woonde hij bij een tante, die met traditioneel koto (een Japans
tokkelinstrument) spelen haar brood verdiende. Maar na één Okinawa en twee
atoombommen werd Japan overspoeld met westerse invloeden en daarmee bestoven
door de occidentaalse jazz-, pop- en kunstmuziek. En in die zin is de legende
juist: de eerste kennismaking met de westerse toonkunst moet voor de talentvolle
Takemitsu een schokkende ervaring zijn geweest. Solitair
In 1957 schreef Takemitsu Requiem for Strings. Igor Stravinsky die het
stuk hoorde, was onder de indruk en schijnt het een meesterwerk te hebben genoemd.
Tevens werd zijn Textures for Orchestra door de International Society for
Contemporary Music uitgeroepen tot compositie van het jaar. Daardoor nam het aantal
uitvoeringen van zijn werk toe. In 1962 schreef hij zijn eerste filmmuziek (Seppuku),
die onmiddellijk tot de beste filmpartituur van dat jaar werd uitgeroepen. Takemitsu's
talent om in kort bestek een muzikale spanningsboog te kunnen creëren, was namelijk
precies waar de samoerai-filmers op zaten te wachten. Hij heeft dan ook een flink
pakket film- en tv-muziek nagelaten. A Flock Descends into the Pentagonal Garden (1977)
Die schilderachtige componeertrant ligt bij uitstek ten grondslag aan zijn
meest gespeelde symfonische werk A Flock Descends into the Pentagonal Garden (1977).
Het stuk werd geschreven in opdracht van het San Francisco Symphony Orchestra, in de
tijd dat Edo de Waart er nog dirigent en music director was. Het stuk heeft zich
populair gemaakt, doordat het een geslaagde poging is via het adapteren van oosterse en
westerse muzikale kenmerken, een muziek te scheppen waarin de esthetiek (klankkleur,
timbre en stilte) net zo belangrijk is als de andere componenten (melodiek, vorm en metriek). |