|
Over Tore Takemitsu
Jaren 90

Bij toeval trek ik uit mijn archief een oude foto van een verlegen ogende
Japanner met een broodmager ondoorgrondelijk gezicht. Ik herken hem
onmiddellijk; het is de componist Toru Takemitsu (1930-1996). Zijn portret
leidt mijn herinnering naar een even opvallende als zonderlinge gebeurtenis
bij het Concertgebouworkest. Wij schrijven 17 december 1969...
Toen bij aanvang van het abonnementsconcert de podiumdeuren openzwaaiden en het
geroezemoes in de Grote Zaal wegebde, stormde er geen kingsize rokkostuum de
lange trap af, maar schuifelden twee in kimono gestoken en met houten sandalen
geschoeide Japanners voetje voor voetje neerwaarts. Op korte afstand gevolgd door
de boomlange Bernard Haitink, die niet goed raad wist met het geslof voor hem en
daardoor een langzaam slungelige tred hanteerde. Het betrof hier de eerbiedwaardige
mevrouw Kinshi Tsuruta en mijnheer Katsuya Yokoyama, die respectievelijk de biwa
en de shakuhachi bespeelden. Ofwel de Japanse luit en de Japanse bamboefluit.
Een en ander vond plaats ter gelegenheid van de Nederlandse première van Toru
Takemitsu's November Steps. Een werk dat de componist in 1967 in opdracht
van The New York Philharmonic Orchestra schreef, en waarin hij twee traditionele
Japanse muziekinstrumenten confronteert met een westers symfonieorkest. Of
andersom natuurlijk, want het is maar van welke kant je het bekijkt.
Nu is mobiliteit tegenwoordig een massa-artikel en het Verre Oosten een modale
vakantiebestemming geworden, maar destijds lag Tokio nog zeventien uur via de
noordpool van Amsterdam, kleedde men zich daar 's avonds nog in kimono en stonden
er giechelende meisjes, zwaaiend met origami-papiervouwwerk, de leden van het
Concertgebouworkest bij de artiesteningang op te wachten. Aanzienlijk andere tijden dus.
Geen wonder dat de verschijning van de twee Japanse musici voor het toenmalige
Amsterdamse publiek een opmerkelijke gebeurtenis was. Een muzikaal evenement, dat
door Haitink later als een hoogtepunt van dat seizoen werd gezien en via een
live-recording op de plaat werd gezet (Philips Silver Line Classics 426 667-2).
Zie daar, New York, Amsterdam en daarna de rest van de wereld...Takemitsu's naam
als vooraanstaand componist was gevestigd.
Dat heeft Takemitsu niet alleen maar voordeel gebracht. Zijn muziek heeft, tegen
eigen bedoelingen in, jarenlang als beeldmerk gefungeerd voor de asian connection
in de muziekwereld. Sprak men over 'het oosten', dan was Takemitsu het gespreksonderwerp.
En die stereotype verdween pas, toen de (quasi) boeddhistische benadering van het
componeren als noviteit was vervlogen. Wat toen beklijfde was de muziek zelf.
Welnu, Takemitsu is de enige Japanse componist wiens werk een vaste plaats
in het internationale orkestrepertoire heeft verworven. Wie was Toru Takemitsu?
Autodidact
Het verhaal gaat dat Toru Takemitsu (Tokio 1930-1996) op zestienjarige leeftijd
via een militaire radiozender een opname hoorde van Josephine Baker en op slag
besloot componist te worden. Zoiets ruikt naar mythologisering, dus hier is
enige reserve geboden. Wel is waar, dat het vóór en gedurende de Tweede
Wereldoorlog in Japan verboden was westerse muziek te beluisteren, omdat die
officieel tot ontaarde toonkunst was verklaard. Een fascistische maatregel,
gelijk aan de houding van de Duitse nazi's ten opzichte van, bijvoorbeeld, de
'zwarte' jazz. De jonge Takemitsu groeide dus op in een reactionaire omgeving.
Bovendien woonde hij bij een tante, die met traditioneel koto (een Japans
tokkelinstrument) spelen haar brood verdiende. Maar na één Okinawa en twee
atoombommen werd Japan overspoeld met westerse invloeden en daarmee bestoven
door de occidentaalse jazz-, pop- en kunstmuziek. En in die zin is de legende
juist: de eerste kennismaking met de westerse toonkunst moet voor de talentvolle
Takemitsu een schokkende ervaring zijn geweest.
Takemitsu was autodidact. Iets dat hem altijd buiten de bestaande stijlen en
tradities heeft gehouden. Een begaafde en onafhankelijke self-made-man, die in
Claude Debussy zijn muzikale aartsvader zag. Dat laatste heeft in Japan tot
misverstanden geleid. Menig muzikaal talent uit het land van de rijzende zon,
bestormde in de jaren zeventig en -tachtig de Europese en Amerikaanse muziekconcoursen
met werk van Debussy. Met de ontwapenende maar kromme filosofie, dat Debussy's
hele-toons-toonladder dichter bij het Japanse idioom staat en dat Takemitsu 'dat
zelf had gezegd'. Niet beseffend dat de muziek van Debussy nu juist de meest
complexe westerse chromatiek vertegenwoordigt. Nu weten ze in Japan dat Takemitsu
gewoon van Franse muziek hield.
Solitair
In 1957 schreef Takemitsu Requiem for Strings. Igor Stravinsky die het
stuk hoorde, was onder de indruk en schijnt het een meesterwerk te hebben genoemd.
Tevens werd zijn Textures for Orchestra door de International Society for
Contemporary Music uitgeroepen tot compositie van het jaar. Daardoor nam het aantal
uitvoeringen van zijn werk toe. In 1962 schreef hij zijn eerste filmmuziek (Seppuku),
die onmiddellijk tot de beste filmpartituur van dat jaar werd uitgeroepen. Takemitsu's
talent om in kort bestek een muzikale spanningsboog te kunnen creëren, was namelijk
precies waar de samoerai-filmers op zaten te wachten. Hij heeft dan ook een flink
pakket film- en tv-muziek nagelaten.
Door de film raakte Takemitsu in de ban van het Japanse muzikale verleden. Dat
had een compositie voor biwa en shakuhachi tot gevolg: Eclipse (1966). En toen vervolgens
het New York Philharmonic Orchestra hem (ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan)
een compositieopdracht verstrekte, besloot de componist een orkestwerk te schrijven
waarin deze twee Japanse instrumenten een solistische rol zouden gaan vervullen: November Steps.
November Steps is typerend voor hoe Takemitsu de muzikale verhoudingen hoort. Er is
geen sprake van versmelting. Op enkele korte commentaren na, zwijgt het orkest als de
biwa en de shakuhachi aan het woord zijn. Nimmer spelen oost en west samen. Nooit
klinkt er 'aziatische' muziek voor een symfonieorkest of 'moderne' muziek voor
een traditioneel Japans ensemble. Er vindt geen integratie plaats, er wordt
vooral over en weer geluisterd. Omdat Takemitsu geen dynamische bruggenbouwer
was, maar een solitaire schilder van zijn eigen toonkunst. Ongebonden muziek met
een beknopte, sterk picturale stijl.
A Flock Descends into the Pentagonal Garden (1977)
Die schilderachtige componeertrant ligt bij uitstek ten grondslag aan zijn
meest gespeelde symfonische werk A Flock Descends into the Pentagonal Garden (1977).
Het stuk werd geschreven in opdracht van het San Francisco Symphony Orchestra, in de
tijd dat Edo de Waart er nog dirigent en music director was. Het stuk heeft zich
populair gemaakt, doordat het een geslaagde poging is via het adapteren van oosterse en
westerse muzikale kenmerken, een muziek te scheppen waarin de esthetiek (klankkleur,
timbre en stilte) net zo belangrijk is als de andere componenten (melodiek, vorm en metriek).
"De hobo, die het werk introduceert en weer uitluidt, verpersoonlijkt de zwerm
vogels die een harmonisch veld invliegt: de vijfkanten tuin."
Dat zei Takemitsu. En die was ook dichter, dus de Pentagonal Garden mag gerust
worden gezien als een metafoor voor de tuin der klanken. Het werk bevat dertien
korte delen (thema met variaties), waarin de muziek met vloeiende klankverschuivingen van
licht naar donker glijdt en weer terug. Dat is het oriëntaalse penseel. De
strenge vormgeving is ontleend aan de Tweede Weense School (Fünf Orchesterstücke).
Daar klinkt het westen. Het resultaat is een abstract-muzikale natuurschildering,
hoorbaar gemaakt door middel van een magnifiek staaltje orkestratiekunst; Toru
Takemitsu ten voeten uit.
|