|
Smeekschrift
20 juni 2010
Geachte heer Bruckner,
Lang heb ik geaarzeld u te schrijven. Omdat ik u, hoogmogende toondichter, daarmee wellicht zou ontrieven. En een orkestrale onaanraakbare als ik wordt geacht niet
buiten zijn kaste te treden. En zeker niet met een klaagzang. Maar nood breekt wet. Met verschuldigde eerbied maître, al meer dan honderd jaar lijden wij, slagwerkers van de
symfonieorkesten, onder een verschijnsel dat ons vak tot een karikatuur maakt. Het bewuste symptoom vindt zijn oorsprong in - ik beef bij wat ik
thans ga zeggen - uw muziek. Ik doel op uw Zevende symfonie waarin één bekkenslag staat voorgeschreven. Eén! Ik haast mij u te verzekeren dat
wij, percussionisten, duidelijk nota hebben genomen van uw manuscript waarin die faux pas ferm is doorgekrast en begeleid gaat met de handgeschreven
aantekening 'nicht gültig'. U treft geen blaam, derhalve. Maar waarom zijn uw volgelingen dan zo eigenwijs? En hoe komt het dat dirigenten de nachwuchs
volgen in plaats van de bron? Uw wijlen meestervertolker Eugen Jochum vertrouwde mij, voorafgaand aan een Aziatische tournee met elf uitvoeringen van uw Zevende
toe, de bekkenslag vooral te zien als het dramatische moment waarop de symfonie in twee precies gelijke delen wordt geslagen. Ik heb dat al die uren nagerekend en het klopt.
Elf maal 46 minuten heen, elf maal 46 minuten terug! Zelfs de meest perverse sporttrainer houdt z'n reserves niet zo meedogenloos
lang op de bank. Dus, maestro, als u, vanuit uw hemelse gerecht, ten langen leste...
|
|
|