|
Pianisten
Wonderlijke opvattingen bestaan er over de zielenroerselen van
muzikanten. Bijvoorbeeld, dat instrumentalisten karaktereigenschappen
bezitten, die overeenkomen met de cliché's welke er over het door hun
bespeelde muziekinstrument bestaan. De gevoelige snaar, als het ware.
Wat je nooit leest is dat het ook wel eens andersom zou kunnen zijn. Dat
het muziekinstrument een mentale invloed heeft op zijn bespeler. Natuurlijk,
je karakter kun je niet ontlopen dus is medebepalend voor de keuze van een
muziekinstrument. Maar de inwerking van instrumentale gestiek, formant en
toonvorming op de muzikant is iets anders. Het enorme aantal musici (veruit
de meerderheid) dat voor de definitieve keuze eerst een ander muziekinstrument
bespeelde, bewijst de onvoorspelbaarheid per individu van dit psychische
tweerichtingsverkeer. Weg dus met die potjespsychologie. Oorzaak en gevolg,
daar draait het om. Een violist maakt microbewegingen en tilt een sigarendoos.
Dat dwingt tot een heel andere lichaamstaal dan die van een contrafagottist
die de zwaartekracht moet bevechten en een ballon vol moet blazen om sowieso
een toon te kunnen produceren. Als je nu maar lang genoeg een bepaald
muziekinstrument bespeelt raak je daaraan zo geconditioneerd, dat het
bijbehorende podiumgedrag zich ook buiten het concertplatform gaat manifesteren.
Slechts pianisten vormen hierop een uitzondering. Bij hen is de verwantschap
tussen het muziekinstrument en lichaamstaal niet te voorspellen. Ik ken een
wereldberoemd pianist die zijn toetsenbord berijdt alsof hij deelneemt aan een
rodeo, maar doe je je ogen dicht dan hoor je een transparant tinkelend geluid.
Een andere befaamde klaviertijger is vermaard om zijn donderende linkerhand,
doch als je opkijkt zie je een licht gebochelde man die nauwelijks met zijn voeten
bij de pedalen kan. Bovendien gedragen pianosolisten zich excentrieker dan strijkers.
Vladimir Ashkenazy liep met ovenhandschoenen aan, ook al vielen de mussen van het dak.
Maria Joćo Pires verschoot van kleur toen zij bij de eerste noten van het
Koninklijk Concertgebouworkest merkte het verkeerde pianoconcert te hebben
ingestudeerd. Zwijgend en grimmig zonderde zij zich eventjes af en speelde
vervolgens het juiste concert from memory.
En achter het concertpodium is dat niet anders. Wereldberoemd of niet,
vioolsolisten duiken op tournee met hun orkestcollegas de kroeg in,
pianisten zie je meestal single aan een tafeltje in het hotelrestaurant
zitten. Hoe dat komt? Omdat pianisten in alles alleen zijn. Ze vormen geen groep,
ze kennen geen aanvoerder, ze hebben geen gelijke, ze zijn volledig op zichzelf aangewezen.
Waar violisten hun muziekinstrument als een lichamelijk verlengstuk onder de kin klemmen,
voelen pianisten immer de weerstand van het mechaniek dat hen scheidt van de snaren.
Nestelt een vioolsolist zich op het concertpodium contactueel tussen de hem of haar
omringende strijkers, een pianist zit dwars op het orkest en ziet vooral de schokkende
schouders van de kapelmeester, die niet zelden de grootste moeite heeft orkest en
solist bijeen te houden. Alle andere instrumentalisten en vocalisten koesteren
hun muzikaal speelgerei als een zelf gebaard kind, toetsenisten moeten altijd maar
afwachten in wat voor staat zij de vleugel op de betreffende concertlocatie zullen
aantreffen. Altijd het stiefkind. Ik bedoel maar te zeggen, concertpianisten zijn
is een eenzaam beroep en daarom zijn de hele goede zeldzaam.
|
|
|