|
De perfectie als geloofsbelijdenis
In 1975 dirigeerde Bernard Haitink het Concertgebouworkest in Maurice
Ravels magnum opus L'enfant et les sortilèges. Het werd een
meer dan gedenkwaardige uitvoering, niet het minst door de sopraan Mady
Mesplé, die met haar coloratuur adembenemende guirlandes de zaal in strooide.
Er schiet nog een brok in de keel als ik er aan terugdenk.
Om de een of andere reden - het zal wel een kwestie van geld zijn geweest
of wellicht lagen de solisten elders onder contract - is deze uitvoering nooit
op de plaat gezet. Een omissie in de opnamecatalogus van het KCO, maar gelukkig
werd later de radioregistratie ervan geplaatst op het Liber Amicorum voor de tot
eredirigent benoemde Bernard Haitink. Deze opname is techneutisch gezien verre
van vlekkeloos. Er wordt op ongelukkige momenten gehoest in de zaal, een koperblazer
laat zijn demper op de grond vallen en je hoort de strijkers met hun stoelen over
het podium schuiven. Bovendien is het een typische live-opname zonder achteraf-correcties,
want er zijn ongelijke blazersinzetten en ook bij de strijkers eindigen niet alle
snelle passages split second tezamen. Zaken die tegenwoordig niet meer geaccepteerd
zouden worden, maar hier totaal niet deren want de uitvoering zindert van inspiratie en
sensualiteit. Een highlight uit mijn cd-bestand.
Wat kunnen we hier uit leren? Dat kleine onvolkomenheden een overtuigend muzikaal
resultaat geenszins in de weg hoeven te zitten. Nu is het zo, dat - door betere training en begeleiding - musici
tegenwoordig meer ingewikkelde noten per minuut kunnen spelen dan vroeger het geval was.
Die fysieke verbetering betreft natuurlijk niet alleen musici, ook hedendaagse atleten
lopen harder. Dus, zoals de uitvoeringspraktijk van een halve eeuw geleden werd afgemeten
aan de bekwaamheid van toen, is de muziekwereld van nu gefinetuned op de competentie van
vandaag. In de jaren '60 sleepten de repetities op Stravinsky's Le sacre du printemps zich
van maatdeel tot maatdeel, vandaag de dag is alleen de solo-fagottist nog bezorgd als dit
stuk op de speellijst staat vermeld. Ziedaar, kandidaat-orkestmusici worden naar eigentijdse
maten beoordeeld en dat daarbij tegenwoordig scherp wordt gelet op speeltechnische
vaardigheden valt te billijken.
Maar pas op, als dit deel van het beoordelingscriterium te rigide wordt toegepast, loert
het gevaar van perfectie-fetisjisme. Foutjes of vergissingen worden dan onvergeeflijk, en
een sterke muzikale persoonlijkheid normafwijkend en daarmee ongewenst. Welnu, als je
jarenlang bij audities op die starre manier de kandidaten filtert, krijg je na verloop van
tijd foutloos spelende orkesten die allemaal hetzelfde klinken. Nikolaus Harnoncourt
signaleerde dat onraad trouwens al zo'n twintig jaar geleden en meldde zijn ongerustheid
daarover bij de artistieke commissie van het Concertgebouworkest. Dat klokkenluiden deed
hij overigens bij alle orkesten die hij dirigeerde, dus een en ander was niet specifiek voor
het KCO bedoeld. Ziedaar, een van de oorzaken waarom de "grote" orkesten op elkaar gaan lijken,
is het toenemende verbod op imperfectie.
Voor grote somberheid is evenwel geen reden. Toen ik in 1967 als verse slagwerker het
Concertgebouworkest betrad, werd mij door (een deel van) de oude garde te verstaan gegeven,
dat het orkest zijn tijd had gehad. Het Mengelberg-portamento was weg en goeie dirigenten
waren dood. Bernard Haitink was toen nog maar net begonnen en Mariss Jansons studeerde nog.
Zo logenstraft elke nieuwe generatie het kribbebijten van haar voorgangers. En wat de
Amsterdammers betreft, die bezitten de luxe van een klinkende veiligheidsgordel: de
Grote Zaal van Het Concertgebouw.
|
|
|