|
De onderwereld ten onder
De upgrading van het Nederlandse muziektheater begon in de jaren zestig.
En die uitbarsting van vooruitstrevendheid vond niet plaats in de Amsterdamse
Stadsschouwburg, maar in het (toen nog niet Koninklijk) Theater Carré. In
Carré konden componisten en regisseurs zich onttrekken aan de akoestische
beperkingen van de orkestbak en de rigide zichtlijnen van het traditionele
lijsttoneel. Zaken die men artistiek als belemmerend ervoer. Bovendien was
(en is) Carré Neerlands enige echte volkstheater, dus een geknipte locatie
voor het participerende kunstenaarschap van die tijd.
Niet de bühne maar de piste van Carré was de magische cirkel waarbinnen de
theatrale vernieuwing zich afspeelde. Orkest- en toneelbeeld vloei(d)en er
letterlijk in elkaar over en het publiek zit er aan de Amstel zo dicht op het
speelvlak, dat het welhaast lijfelijk deelneemt aan de voorstelling. Hetgeen
een circusachtige sfeer creëert. Het moet gezegd: in geen ander theater is
zo'n verwachtingsvolle stemming op te roepen als in het Koninklijk Theater
Carré. Aan het Waterlooplein is een indrukwekkend en voortreffelijk
geoutilleerd gebouw tot stand gekomen, maar het doet mij al die operajaren in
Carré niet vergeten. Ook akoestisch niet.
Een van de meest curieuze producties vond plaats in 1966 en betrof Monteverdi's
Orfeo. Een opera die vooral bekendheid heeft gekregen door de fenomenale
audio/video-vertolking van Nikolaus Harnoncourt en zijn baroksolisten. In Carré
werd dit zangspel echter uitgevoerd in een bewerking ván en muzikaal geleid dóór
de Italiaanse componist/dirigent Bruno Maderna. Het was nog net voor de 'authentieke
uitvoeringspraktijk' haar mars door de instituten was begonnen, anders had de
gebeurtenis ongetwijfeld tot de excommunicatie van de Italiaanse maëstro geleid.
Maderna's orkestratie toonde namelijk een verademend gebrek aan goede smaak.
Om de stenen te doen wenen vermeldde de partituur een volledig bezet (Utrechts)
symfonieorkest, alsmede uiterst on-barokke muziekinstrumenten zoals vibrafoons,
bellen, piano, klokkenspellen en een verzameling ruis- en ratelwerktuigen. Geen
effect had Maderna geschuwd om Monteverdi's muziekdrama op eigentijdse wijze
tot klinken te laten komen, en iedereen vond het prachtig.
Maderna had met betrekking tot de theatrale handelingen weinig scénische instructies
gegeven, zodat de enscenering van de opera in feite tijdens de repetities plaatsvond.
De regisseur Raymond Rouleau had daarbij een lumineuze vondst gedaan en besloten deze
onmiddellijk uit te proberen. Pluto - God van de onderwereld, gezongen door Bert
Bijnen - kwam gedurende zijn onheilspellende aria van onder het toneel aangelopen,
stapte al zingend in de kleine orkestbak tussen toneel en piste, en werd vervolgens
langzaam omhoog gevijzeld. Het resultaat was verbluffend. Bij elke naderende pas en
na iedere rondslag van de takel waarmee de toneelmeester de vloer van de orkestbak
deed stijgen, klonk Pluto's angstaanjagende bas een stapje dichterbij. Het was
waarachtig alsof iemand zich uit de onderwereld een weg baande naar de piste van
Carré. Een huivering doorvoer de zaal. Met open mond ondergingen de musici en
technische medewerkers deze duivelse theatrale trucage. Hier, zo besefte men
allerwegen, was sprake van een trouvaille. En toen de liftvloer dan eindelijk
boven was en de laatste lage noot gezongen, klaterde van alle zijden in Carré
applaus op. Bijnen, bijzonder ingenomen met zijn succesrol, wuifde joviaal en
maakte vervolgens een uitgelaten sprongetje. En toen hij weer met beide benen
op de grond kwam, klonk er een daverende knal en donderde hij met lift en
al de onderwereld weer in.
Een kreet van afgrijzen golfde door Carré. Terwijl enkele sterke kerels van de
decorafdeling de orkestbak insprongen om hulp te bieden, viel de lyrische sopraan
gillend flauw tussen de lessenaars van de eerste violisten. Het spook van de opera
had weer eens toegeslagen en de paniek was compleet.
Maar zie, nadat enige bange minuten later Bert Bijnen met bibberende benen weer
bovengronds was geholpen, bleek hij ongedeerd. Toen riep Maderna vanaf zijn
dirigeerplatform: "Mein Gott, Bert, du bist doch ja nicht kaput?"
Even bleef het stil, toen schreeuwde Bijnen met overslaande stem terug: "God Bert?
God Bert? Godver@!#!$ zal je bedoelen!
|
|
|