De symfonische muziekpagina's
Door Niels Le Large ©
Terug naar de indexpagina...|
De ondergang van een orkest
Tijdens de bouw van het Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht werd hetde muzikale insiders duidelijk, dat de totstandkoming van deze concertzaal weleens de opheffing van het Utrechts Symfonie (voorheen Stedelijk) Orkest tot gevolg kon hebben. Die argwaan bleek terecht. Wat was begonnen als een lobby om de plaatselijke filharmonie een nieuwe huisvesting te bezorgen, ontwikkelde zich in de praktijk tot een kiss of death voor dit eerbiedwaardige muziekensemble.
Een van de oorzaken was, dat er in die jaren het mes werd gezet in het aantal
gesubsidieerde orkestbanen. Dat gebeurde onder meer door een fusie van het
Amsterdams Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest en een afgeslankt
Utrechts Symfonie Orkest. Dit Nederlands Philharmonisch Orkest moest een pool
van muzikanten opleveren wier hoofdopdracht het zou zijn de nieuwe Nederlandse
Opera te begeleiden. Amsterdamse inbreng
Het Utrechts Symfonie Orkest heeft altijd de intimiderende invloed van het
Concertgebouworkest ondervonden. Een wisselwerking die het Utrechtse gezelschap
weinig voorspoed heeft gebracht. De meest positieve Amsterdamse inbreng kwam van
hun dirigent Evert Cornelis. Maar die had zich dan ook bij Willem Mengelberg verdacht
gemaakt door zich als assistent-dirigent bij het Concertgebouworkest iets te
ambitieus op te stellen. Verder werd het orkest in Amsterdam niet al te serieus
genomen en met enig dedain bekeken. Wie weten wil hoe de componist Willem Pijper
en Willem Mengelberg het USO en zijn dirigent Jan van Gilse verneukten, moet de
memoires van mevróuw van Gilse maar eens lezen. De Mokumse schade bij de Utrechters
is dan ook vooral van mentale aard geweest. Anti-revolutionair
Maar de doorslaggevende oorzaak van het Utrechtse Waterloo lag op het concertpodium
zelf. Daar ontbrak het aan zelfrespect. In de jaren die vooraf gingen aan de orkestenfusie
was het USO langzaam in de versukkeling geraakt. Al jaren lang was het orkest gedwongen
zijn concerten te spelen in een houten schuur zonder akoestiek en accommodatie. Daarbij
was de chef-dirigent Paul Hupperts weliswaar een aimabel man, maar geen groot interpreet
en hij miste de pedagogische eigenschappen die nodig waren om de door verlammende
noodvoorzieningen en beperkte publieke belangstelling aangeslagen musici uit hun
lethargie te halen. Hoe anders ging dat terzelfder tijd in de nieuwe Doelen met het
Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Edo de Waart. |