|
Omvallende zekerheden
En dan, als de ochtendkoffie is gedronken en de eerste kennismaking
met de direct betrokken collega's zich heeft voltrokken, beklimt het
nieuwe orkestlid het concertpodium om de eerste muzikale handelingen
op de orkestrale werkvloer te verrichten. Daarbij moet hij of zij het
volgende in gedachten houden.
In de uitvoeringspraktijk van de muziek is het psychologische verschil
tussen de studeerkamer en het concertpodium angstaanjagend groot. Geen
ander kunstvak kent zulk een discrepantie tussen droom en werkelijkheid.
Peilloos diep is de kloof, die gaapt tussen de serene gemoedsrust van de
oefenruimte en de mentale wringer van het publieke platform. Wat in de
beschermde omgeving van het studievertrek speeltechnisch en muzikaal nauwelijks
enige moeite kost om te vertolken, wordt op het openbare slagveld van de bühne,
waar honderd paar kritische beroepsoren meedogenlozer registreren dan een zaal
vol recensenten, een tour de force. Opeens vergt dat probleemloze stukje muziek
een psychosomatische krachttoer, waarbij bloeddruk en hartslag op kunnen lopen
tot uiterst ongezonde waarden.
Geen wonder dat het overbruggen van dit geestelijke ravijn, nogal eens gepaard
gaat met spirituele hoogtevrees. Iets waar de musici zelf een woord voor hebben
bedacht: faalangst. De zinloze doch niet weg te redeneren plankenkoorts, om op
het uur van de waarheid te kort te zullen schieten. Het meest hachelijke aan deze
psychische hinderlaag is de immer loerende dreiging van de self-fulfilling prophecy:
het zelf veroorzaakte domino-effect van opeenvolgend omvallende zekerheden. Deze
beroepsdeformatie is zo onlosmakelijk verbonden met het muzikantenvak, dat zij een
flink aantal cynische beroepskwalificaties heeft opgeleverd, welke aan dit fenomeen
uitdrukking geven. Stemkamersolist is er één van.
Vergeet niet, musiceren is voor een groot deel het onophoudelijk overwinnen van
de natuurkundige weerstand van het muziekinstrument. Musiceren is een feest, maar
het is ook een permanent gevecht tegen de verslapping, de verstramming, de versjtering.
Wie beroepsmatig een muziekinstrument wil gaan bespelen, dient er rekening mee te houden
dat hij voor de rest van zijn leven aan een rigide trainingsschema onderhorig is.
Bovendien wordt een orkestmusicus naast die speeltechnische belemmeringen ook nog
geconfronteerd met de knellende sociale wringer die collectivisme heet. Een groot
symfonieorkest is een smeltkroes van uiterst ongelijksoortige individuen. Een
verzameling eenlingen die meestal maar één ding gemeen hebben: hun onvoorwaardelijke
overgave aan de muze. In alle andere zaken des levens vormen zij veelal elkanders tegenpool.
Spelen in een symfonieorkest is daardoor niet alleen een beroep, het is ook een manier
van samenleven. Wie vreest dat niet te kunnen opbrengen, moet er niet aan beginnen.
Of - bij gebleken verkeerde inschatting - zo snel mogelijk aftaaien. Een gefrustreerd
muziekleven leven leidt onontkoombaar tot spiritueel chagrijn en in een orkest kun je
dat missen als kiespijn.
Koningsdrama of uitklinken
Voor hen die doorgaan geldt de wet van de saamhorigheid. Het lijkt in tegenspraak
met het spreekwoordelijk individualisme van een musicus, maar een symfonieorkest is
een clubhuis. Een hechte microkosmos waarvan het sociale aspect zich voor een belangrijk
deel afspeelt achter de schermen. Nu is natuurlijk ook op het concertpodium is de een
zijn dood de ander zijn brood, maar hoe zeer de persoonlijke wereldbeelden ook mogen
verschillen, het latente wij-gevoel smoort er al te gechargeerd ellebogen. Worstelt
een collega met problemen? Laat hem met rust en stay on low profile. Want vandaag gij,
morgen ik. Die gemeenschapszin zit natuurlijk niemand van nature ingebakken. Integendeel.
Het is een verschijnsel dat werd afgedwongen door ruim twee eeuwen strijd tegen de
collectieve misère van een immer bedreigde beroepsgroep.
Maar dat gezamenlijke verleden heeft niet weggenomen, dat het symfonieorkest een verfijnd
ambitieuze gemeenschap is gebleven. Het is nog immer een leefklimaat waarin een collegiaal
opgetrokken wenkbrauw meer psychologische schade kan aanrichten dan een stapel slechte
kritieken. Bovendien is het een werkomgeving, die gevoed wordt door een sterk
individualistische onderstroom: de onbedwingbare behoefte van elke musicus, om in zo’n
sterk geëgaliseerde samenleving niet te vervallen tot blaas- en strijkvee. Zij allen voelden
zich geroepen tot het vrije kunstenaarschap, maar werden geconfronteerd met strenge
zelftucht en een rechtlijnige groepsdiscipline. En omdat met het klimmen der jaren de
speelroutine weliswaar toeneemt doch de jeugdige onbevangenheid krimpt, ontwikkelt zich
bij elke musicus in de loop van de tijd een onderhuidse paranoia ten opzichte van de
eigen prestaties. Een ambiance waarin een wel of niet vermeende blik reeds ernstige
achterdocht kan doen oplaaien. "Functioneer ik nog goed genoeg of wil/kan ik de neergang
van mijn prestaties zelf niet horen?"
Zo knaagt bij iedere musicus wel eens de vrees, dat de podiumcarrière zal eindigen
in een koningsdrama. Maar er staat ook iets tegenover. Als alles goed gaat, vindt er op
het podium een unieke gebeurtenis plaats. Het raderwerk van musici herschept dan een
volstrekt oorspronkelijk kunstwerk, dat er nooit eerder was en na het uitklinken nooit
weerom zal komen. Dat is zo'n overweldigende ervaring, dat musici de collateral damage
van hun vak niet voor lief maar wel voor onvermijdelijk nemen.
|
|
|