|
Omvallende zekerheden
Jaren 90

En dan, als de ochtendkoffie is gedronken en de eerste kennismaking
met de direct betrokken collega's zich heeft voltrokken, beklimt het
nieuwe orkestlid het concertpodium om de eerste muzikale handelingen
op de orkestrale werkvloer te verrichten. Daarbij moet hij of zij het
volgende in gedachten houden.
In de uitvoeringspraktijk van de muziek is het psychologische verschil
tussen de studeerkamer en het concertpodium angstaanjagend groot. Geen
ander kunstvak kent zulk een discrepantie tussen droom en werkelijkheid.
Peilloos diep is de kloof, die gaapt tussen de serene gemoedsrust van de
oefenruimte en de mentale wringer van het publieke platform. Wat in de
beschermde omgeving van het studievertrek speeltechnisch en muzikaal nauwelijks
enige moeite kost om te vertolken, wordt op het openbare slagveld van de bühne,
waar honderd paar kritische beroepsoren meedogenlozer registreren dan een zaal
vol recensenten, een tour de force. Opeens vergt dat probleemloze stukje muziek
een psychosomatische krachttoer, waarbij bloeddruk en hartslag op kunnen lopen
tot uiterst ongezonde waarden.
Geen wonder dat het overbruggen van dit geestelijke ravijn, nogal eens gepaard
gaat met spirituele hoogtevrees. Iets waar de musici zelf een woord voor hebben
bedacht: faalangst. De zinloze doch niet weg te redeneren plankenkoorts, om op
het uur van de waarheid te kort te zullen schieten. Het meest hachelijke aan deze
psychische hinderlaag is de immer loerende dreiging van de self-fulfilling prophecy:
het zelf veroorzaakte domino-effect van opeenvolgend omvallende zekerheden. Deze
beroepsdeformatie is zo onlosmakelijk verbonden met het muzikantenvak, dat zij een
flink aantal cynische beroepskwalificaties heeft opgeleverd, welke aan dit fenomeen
uitdrukking geven. Stemkamersolist is er één van.
Vergeet niet, musiceren is voor een groot deel het onophoudelijk overwinnen van
de natuurkundige weerstand van het muziekinstrument. Musiceren is een feest, maar
het is ook een permanent gevecht tegen de verslapping, de verstramming, de versjtering.
Wie beroepsmatig een muziekinstrument wil gaan bespelen, dient er rekening mee te houden
dat hij voor de rest van zijn leven aan een rigide trainingsschema onderhorig is.
Bovendien wordt een orkestmusicus naast die speeltechnische belemmeringen ook nog
geconfronteerd met de knellende sociale wringer die collectivisme heet. Een groot
symfonieorkest is een smeltkroes van uiterst ongelijksoortige individuen. Een
verzameling eenlingen die meestal maar één ding gemeen hebben: hun onvoorwaardelijke
overgave aan de muze. In alle andere zaken des levens vormen zij veelal elkanders tegenpool.
Spelen in een symfonieorkest is daardoor niet alleen een beroep, het is ook een manier
van samenleven. Wie vreest dat niet te kunnen opbrengen, moet er niet aan beginnen.
Of - bij gebleken verkeerde inschatting - zo snel mogelijk aftaaien. Een gefrustreerd
muziekleven leven leidt onontkoombaar tot spiritueel chagrijn en in een orkest kun je
dat missen als kiespijn.
|