|
De cyclonische Notenkraker
Tussen 30 juni en 5 juli 1975 zette het (toen nog niet Koninklijk)
Concertgebouworkest Tsjaikovsky's "De notenkraker" integraal op twee
elpees. Een karwei dat niet moet worden onderschat, want het is een
avondvullend ballet en dus een hele klap muziek. Bovendien moest,
alvorens de microfoons open konden worden gezet, de hele partituur
deeltje voor deeltje worden ingestudeerd, wat het project tot een
tamelijk presserende klus maakte.
Bovendien bleek halverwege het werk dat er - gerekend naar het aantal
minuten muziek - een opnamesessie te weinig was gepland, waardoor het
project een extra opgejaagd karakter kreeg. Hetgeen een lichtelijk
animose sfeer veroorzaakte in de relatie tussen de Philips-opnameleiding
in de kelder van het Concertgebouw en het orkest in de lege Grote Zaal.
Vergeet niet, de warmbloedige sfeer van een orkestconcert maskeert dat
achter beroepsmatig musiceren een broodnuchtere organisatie schuilgaat.
Zoals een plaatopname. Een geluidsopname is een onopgesmukte productiewedloop
tegen de klok, met het rode licht als startschot. De Grote Zaal bevindt zich
in ontklede staat, de stoelen zijn gestapeld en er heerst struikelgevaar door
de bundels snoeren en kabels die zich richting opnamecentrum in de kelder van
het Concertgebouw kronkelen. Verder verlichten schelle werklampen meedogenloos
de orkestopstelling in het midden(!) van de zaal. Een zee vol eilandjes van
musici die gelaten afwachten hoe er in de ingewanden van het Gebouw over hun
doen en laten wordt geoordeeld.
Daarenboven stond het Notenkraker-project onder leiding van een man die reeds
lange tijd het Concertgebouworkest niet meer had gedirigeerd en een roemruchte
reputatie had opgebouwd: Antál Dorati. In de jaren vijftig was Dorati een
regelmatige terugkerende gast bij het Concertgebouworkest geweest, daarna was er
- om mij onbekende reden - een cesuur in de samenwerking ontstaan. Nu had ik
nooit onder ’s mans leiding gespeeld, maar zijn reputatie van driftkop was
onder de orkestmusici in binnen- en buitenland algemeen bekend. Bij het
Utrechts Symfonie Orkest bijvoorbeeld, had hij eens schreeuwend en tierend
de partituur verscheurd en naar het orkest gegooid en daarna de dirigeerlessenaar
omgeschopt. Een andere woedeaanval trof de toenmalige directeur van de Nederlandse
Opera - de Roo – die van hem een glazen asbak naar het hoofd kreeg gesmeten. Die
miste weliswaar doel, maar kletterde wel door de ruit van de Stadsschouwburg het
Leidseplein op. En dat waren nog maar de Nederlandse verhalen over de man, dus
ik stond wat je noemt ‘op scherp’.
Kinderfeestje
Tsjaikovsky’s Notenkraker is de grootste ballet-hit aller tijden. Aan het
werk ligt een mierzoete soap van E.T.A. Hoffmann ten grondslag, die handelt over een
verwend Russisch wicht, een protserige kerstboom en een pop in de vorm van een
krijgshaftige notenkraker. En je kunt het uittekenen, daar wordt ze natuurlijk verliefd op.
Het domme blondje en haar spierenbundel. Enfin, het sprookje mag dan glazuurbrekend
zijn, Iljitsj’s muziek is adembenemend mooi. Elk onderdeel van de partituur is een
juweeltje op zichzelf. De komische Chinese huppel, de pinkelende mirlitons, de
heubwiegende Arabische shuffle, de bevallige Harp en haar Bloemenwals en - niet te
vergeten - de mariache-trompettist in El chocolate.
Nu vindt er - ergens in de eerste acte - een jongerenfeestje plaats, waarvoor
Tsjaikovsky de slagwerkers verzoekt op kinderinstrumentjes te spelen. Om aan het
verzoek van de componist te voldoen, had mijn collega-slagwerker zich naar de
feestartikelenwinkel begeven en een zak vol fluitjes, rateltjes, toetertjes,
kikkertjes en wat al niet aangeschaft. En zo waren wij slagwerkers op de ochtend
van de eerste opnamesessie in de Grote Lege Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw
bezig de instrumentale opstelling voor De notenkraker voor te bereiden. Tot er
achter ons een wat hoge en hese stem ‘good morning’ zei. En daar stond hij,
Antál Dorati. Tamelijk klein van stuk, maar door zijn stemmig grijze haren en
zijn gekerfde gezicht en priemende ogen een onvermijdelijke persoonlijkheid.
Hij gaf ons een hand, liep naar de slagwerktafels en ratelde, klikte en toeterde
in diepe ernst met alle feestartikelen. Toen draaide hij zich om en sprak:
"Very good. I like it. May I have it?"
Zijn verzoek deed ons in de lach schieten. Niet echt hoffelijk, maar Dorati kon
het wel waarderen. Hij boog zich op conspiratieve wijze naar ons toe en fluisterde:
"I am not an senile old fool, you know, I want it for my grandson."
Ondanks de stress door het gebrek aan recordingtime is De Notenkraker een van
de allerbeste opnamen uit de discografie van het Concertgebouworkest geworden. De
cyclonische kracht waarmee Dorati de driekwartsmaat laat tollen, doet zwarte rook
van het concertpodium slaan. Jaren later heb ik hem eens gevraagd waarom hij die
balletwalsen zo genadeloos liet voortrazen.
"Omdat," zo antwoordde Dorati, "Tsjaikovsky wist dat een danseres op dat
moment wel iets anders aan haar lijf en leden heeft dan genuanceerde tempowisselingen.
Die valt na afloop als een zak aardappelen tussen de coulissen."
|
|
|