|
Massabeweging
Jaren 90

Bestaan er algemeen geldende criterea met betrekking tot het
takteren die een jong dirigent zich zal moeten eigen maken? Zeker.
Maar let wel, in de artistieke chemie tussen dirigent en orkest is
bewegingsprecisie slechts een onderdeel van het gecompliceerde spel
en niet eens het belangrijkste.
De gewichtigste aspecten van het dirigeervak liggen in de kunstzinnige
en pedagogische facetten van het beroep. En juist daarover bestaat weinig
of geen literatuur. Dat is minder verwonderlijk dan het lijkt, want voor die
abstracte dimensie van de professie bestaat geen ander opleidingsmodel dan
de uitvoeringspraktijk zelf. En die is meedogenloos en niet-academisch tegelijk.
Het gezamenlijk tot klinken brengen van een partituur is nu eenmaal niet een
overzichtelijk parcours met dwingend opgelegde, laat staan algemeen geƫerbiedigde
gedragsregels. Orkestraal musiceren is een immens ingewikkelde collectieve
handeling en daardoor een nooit precies te voorspellen massabeweging. Hoe een
muzikale gedachte via lichaamstaal aan een grote - niet zelden sceptische - groep
muzikanten moet worden overgebracht, blijft in het onderricht aan dirigenten
daardoor grotendeels buiten beeld. De maestro zal die spekgladde weg geheel alleen
moeten afleggen. Dat is zo'n vreselijke Alleingang dat veel aspirant-dirigenten er
vroegtijdig onder bezwijken.
Daar komt nog bij dat het juiste gebaar niet noodzakelijkerwijs afkomstig hoeft
te zijn van de handen. Het kan ook een bezwering zijn in de vorm van een nauwelijks
waarneembare hoofdknik of een onverwachte oogopslag. Ja, bij het dirigeren kan elke
vorm van lijfelijke beroering als muzikale beeldspraak dienen. Zelfs een abrupte
lichamelijke verstijving heeft, onder bepaalde omstandigheden, een psychologisch
effect. En in die kunst van de muzikale luchtspiegeling weten (wisten) alleen de
echte maestro's hun gestiek een persoonlijke handtekening mee te geven. Zoals de
dubbelhandige bijlslag van Carlo Maria Giulini, de linkse tremor van Valery Gergiev,
de gebalde vuisten van Leonard Bernstein, de stramme schoolslag van Nikolaus Harnoncourt,
de golvende service van Riccardo Chailly, de rechtse uppercut van Kirill Kondrasjin,
de gestaalde ondergreep van Mariss Jansons en de zijwaartse lange boog van Bernard Haitink.
En wat er ook gebeurt, die body language blijft ze hun leven lang bij. Zij studeren
nieuwe partituren, dirigeren verschillende orkesten, worden ouder en mogelijk wijzer,
maar het 'gebaar' blijft. En er is meer goed nieuws. Goede dirigenten worden nog
betere dirigenten naarmate hun leeftijd vordert. Geloof het of niet, ouderdom is
voor orkestmusici een geldig artistiek argument. Dat zit zo.
|