|
Mahler overdacht (1)
15 januari 2010
Deel 1: Het ongewisse raderwerk
De metriek is het vliegwiel van de toonkunst. Zij coördineert de muziek door en over de tijd. Muziekstudenten
wordt dan ook ingehamerd, dat ritmische patronen netjes binnen het kader van de muzikale ordening dienen
te worden uitgeteld. Elk afzonderlijk onderdeel van - bijvoorbeeld - een triool, behoort volgens de wet van de
vertegenwoordigende waarde te worden verdeeld. Eén twee drie, hoem pa pa. De ritmische begaafdheid van
de leerling en kwaliteit van de docent bepalen vervolgens de klasse van het individuele eindresultaat. Dat
talent kan natuurlijk te wensen overlaten, maar er bestaat geen afgestudeerd musicus die niet weet wat 'tellen' is.
Voor de gevorderde vertolkers kent de metriek echter een extra dimensie. Een muzikaal-psychologisch aspect
waarvoor geen goed Nederlands woord bestaat: de pulse. Het innerlijke klokgevoel, waarmee een uitvoerend
musicus de metriek kan verheffen van een rigide rekensysteem tot de hartslag van de muziek. En hoe
romantisch-expressionistischer de aard van de compositie, hoe wispelturiger het metrische raderwerk ervan.
De aspirant-orkestmusicus die voor het eerst een symfonie van Mahler moet helpen vertolken, wacht dan ook
een schokkende ervaring. Rechtstreeks afkomstig uit het rechtzinnige klimaat van de beroepsscholing en
pardoes ondergedompeld in Gustav's grillige muzikale werkelijkheid, ontdekt hij of zij dat:
1) Mahlers triolen in het geheel niet gelijkzijdig zijn;
2) de ritmische ordening zich bij Mahler behalve horizontaal (van maatstreep tot maatstreep) ook verticaal
over de notenbalk ontwikkelt. Namelijk in de vorm van gelijktijdig optredende ritmische patronen, die onafhankelijk
van elkaar versnellen en vertragen.
Dat laatste is iets dat in musicologenjargon de metrische xy-as van de muziek wordt genoemd. En bij Mahler
ontspruit daaruit een veel dubbelzinniger cadans, dan bij het geometrische notenbeeld van de barok en het
klassieke tijdperk het geval is. Zo wordt op het concertpodium in enkele minuten Mahler, iedere didactische
regel uit de muzikale opleidingspraktijk overruled.
'Lees maar, er staat niet wat er staat.'
Om de cultuurschok voor de podiumrekruut nog te vergroten, speelt zich in Mahlers orkestratie een soortgelijk
verschijnsel af. De klassieke symfonische positie van een aantal instrumentengroepen wordt namelijk voortdurend
aan de orde gesteld. Zo blazen fluitisten solo's in toonregisters, waarvoor een minder getalenteerd componist
een altfluit zou hebben ingeschakeld. En contrabassisten klimmen absurd hoog in de snaren, teneinde al die
noten bijeen te kunnen graaien in een toongebied waar het instrument oorspronkelijk niet voor is bedoeld. Maar
ja, die altfluit, spelend in haar natuurlijke omgeving, klinkt nu eenmaal niet zo spleen als een gewone fluit die
te laag op de notenbalk verkeert. En het zijn vooral de contrabassen met hun opgerekte discant, die bij Mahler
het timbre van het strijkorkest per harmonische ligging doen veranderen en daarmee een dubbele muzikale
bodem aanbrengen. Een kwart-sext-akkoord met daarin de celli op de onderkwint en de bassen neuzelend
op het eerste octaaf, geeft de klank van het strijkorkest een onheilspellend karakter. Centreer daarbij de
stemmen van de violen op de laagste twee snaren en het geluid wordt ronduit macaber. En hoe onrustiger
het notenbeeld, hoe huiveringwekkender het effect. Zo jaagt Mahler de strijkers door zijn Scherzo's, als
spoken door de nacht.
Volgende aflevering: De gevoelige snaar.
|
|
|