|
Links uit de flank
Een ding staat vast: een dirigent die op duidelijke wijze de maat
slaat, vormt een helder baken voor zijn musici en hij bevordert
daarmee de kwaliteit van het samenspel. Je moet als dirigent wel
over zeer grote overtuigingskracht beschikken, wil je zonder voldoende
dirigeertechniek een orkest op de juiste wijze in beweging krijgen.
En de kapelmeesters die daar toe in staat zijn hebben meestal een
ongebruikelijk groot aantal repetities en try-outs nodig nodig om hun
bedoelingen duidelijk te kunnen maken.
Nu staat de podiumpraktijk wel ver maar natuurlijk niet los van de studeerkamer.
Er bestaat wel degelijk een aantal algemene normen en waarden ten aanzien van de
directietechniek. Zo geldt er bijvoorbeeld een uniforme gedragscode met betrekking
tot links en rechts. In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, is
namelijk niet de rechter- doch de linkerhand van de dirigent toonaangevend voor
het artistieke resultaat. Dat het concertpubliek denkt dat het andersom is, wordt
veroorzaakt doordat de rechterhand de 'pulse' van de muziek visualiseert; de maat
slaat dus. Althans, zo gelasten de voorschriften van de directietechniek. Linkshandige
kapelmeesters is het weliswaar niet verboden andersom te dirigeren, maar de maatslag
in spiegelbeeld is voor orkestmusici zoiets als links rijden met rechtse verkeersregels:
een nodeloos verhoogd risico. De klok tikt dus rechts en door de onophoudelijke
aanwezigheid ervan eist die rechtshandige beweging het leeuwendeel van de publieke aandacht op.
Voor het artistieke rendement van de concertuitvoering is de linkerhand evenwel veel
belangrijker. Deze verstrekt het orkest namelijk de muzikale interpunctie en articulatie.
En dat zijn zaken die deel uit maken van de ínterpretatie, waarmee zij tot een hoger
kunstzinnig niveau behoren dan de doorgaande motoriek van rechts. Orkestmusici zijn daarom
vooral geïnteresseerd in wat er bij een dirigent links uit de flank komt.
Een andere bedrijfsformule betreft de wijze van tempocontrole. E=mc². Hoe hoger de snelheid,
hoe geringer de massa. De gewoonte van dirigenten om bij hakkelend ensemblespel de dirigeerstok
geagiteerd van kruin tot kruis te zwiepen, moet dan ook op wetenschappelijke gronden worden
afgekeurd. Maar het aanwensel is even onhebbelijk als onuitroeibaar, dus het zal wel psychisch
zijn. Zelfs de meest geroutineerde orkestleiders overtreden bij ongelijk samenspel de wetten van
de metrische relativiteitstheorie. Waarvan de formule toch zo eenvoudig is: dreigende ontsporing,
kleiner bewegen! En het liefst zo weinig mogelijk, want hoe minder stampei er onder die
omstandigheden van het dirigeerplatform afkomt, hoe sneller het herstel plaatsvindt. Kan er in
tweeën worden geteld, verdeel de maat dan niet in vieren. En met klapwiekende ellebogen trachten
een te hoog opgevoerd tempo terug te schroeven, werkt alleen maar contraproductief. De dirigent
die dat doet, ziet er uit alsof-ie met zijn hakken in het zand aan een dood paard staat te trekken.
Kortom, wie een podiumbreed muziekensemble met panische gebaren probeert af te remmen, wordt nog
maten lang meegesleurd in struikelend tumult.
Zo niet wijlen meesterdirigent Antal Dorati. Toen in de finale van Bartóks Concert voor orkest
het Concertgebouworkest (in Barcelona op tournee) in op hol geslagen vaart uit de bocht dreigde te
vliegen, liet de tachtigjarige maestro de dirigeerstok zakken, hief met autoritaire rust de
linkerhand, corrigeerde eerst nog even een te vroege blazersinzet en bracht toen met vier langzaam
vegende maar onontkoombare gebaren het voltallige orkest naar een veiliger tempo. Dat was meesterlijk.
Einstein knikte goedkeurend. Het orkest ook.
|
|
|