|
Het eerste Koninklijk orkest
Toen na de Franse revolutie het begrip Hofmuziek in Europa langzaam maar zeker
archaďsche trekjes begon te krijgen, heeft Nederland op de valreep nog een
Koninklijke Hofkapel gekend. Tussen 1820 en 1842 bestond er in 's-Gravenhage
namelijk een professioneel symfonisch ensemble, dat door Koning Willem I
werd gefinancierd.
Voilŕ, een Nederlands vorst als mecenas van een orkest 'in vaste dienst'.
Nu moet men zich bij de status van deze Koninklijke Hofkapel geen jubelende
voorstellingen maken. Omdat in die tijd veel Nederlandse musici slecht geschoold
waren, was bij de oprichting een groot deel van de orkestleden van buitenlandse
afkomst. Aan de werkgelegenheid voor Hollandse muzikanten heeft de Kapel dus slechts
een beperkte bijdrage geleverd. Bovendien fungeerde er een soort leerlingenstelsel,
dat verdacht veel leek op on(der)betaalde arbeid.
Wel heeft één van die Nederlandse musici zich later als bijzonder talent
gemanifesteerd. Dat was de toen nog zeer jonge surnumerair (boventallig) violist,
die nota bene een poosje bij de Hofkapel geschorst is geweest, omdat hij de dirigent
voor onbenul had uitgemaakt: Johannes Verhulst. Maar zie, toen Verhulst later zelf
orkestleider was geworden, bleek ook híj allergisch voor kritiek. Kort van memorie,
maar lange tenen.
Terug naar de Koninklijke Hofkapel. Dat gezelschap mag dan een beroepsorkest
zijn geweest, het was er geen feest. Wie naast deze koninklijke betrekking geen
les gaf of zich niet een schnabbelpositie in het theaterleven had weten te verwerven,
verkeerde voortdurend in een toestand van smartelijke geldnood. De brandbrieven aan
de koning spreken boekdelen.
[...] daar ik getrouwd ben, en mijne vrouw zwanger, en op 't laatst loopt, zoodat
ik nu schulden zoude moeten maken, die ik misschien nooit zou kunnen betalen en
daardoor een slegt mens moet worden hetgeen mij van harte grievend zou zijn en
mijne gezondheid ondermijnen of met mijne zwangere vrouw gebrek lijden, zoo werp
ik mij dan vol vertrouwen in Uwer Majesteits Vaderlijke Armen met de ootmoedige
bede om voor mij, in deze zoo zwaar nijpende toestand te voorzien.
De God der Liefde en van alle Barmhartigheid hoop ik bewege Uwer Majesteits
goeddoent Vaderhart dat deze mijne bede welligt tot medelijden voor mij wordt
opgewekt, om een jongmensch, die niet meer weet wat hij beginnen moet, op het
pad der deugd te laten blijven.
Was getekend: E. Horstmanshoff, hoboďst Koninklijke Hofkapel. Hij kreeg nul op het rekest.
Ook het musiceren zelf was geen onverdeeld genoegen. Er werden namelijk lang niet alleen
'kunst-concerten' gegeven. De Kapel was verplicht het zogenaamde Fransche Toneel te begeleiden.
Het Fransche Toneel was evenwel een dure naam voor een banaal vaudeville-theater in Den
Haag. De muziek die er gespeeld werd was van laag allooi en de zangbegeleiding moest
ter plekke in de idiootste toonsoorten worden getransponeerd, omdat de vocalisten
onbekwaam waren in de oorspronkelijke 'sleutel' te zingen. Voorts bestond de orkestbak
uit een open stenen ruimte, waar het stonk als in een groene amsterdammer. Het was dermate
vulgair, dat zelfs de beroerde financiële positie van de orkestleden hen er niet van heeft
weerhouden regelmatig bij de koning tegen deze speelplicht te protesteren. En zij hadden
daarbij de intendant van het orkest en adviseur van de koning - kamerheer J.W. baron
Huijssen van Kattendijke - aan hun zijde. Een opmerkelijk man, die van Kattendijke.
Bij ieder voornemen van Willem I te snoeien op de hofkapel, was híj het die de vorst
in woord en geschrift afraadde ook maar een gulden op het orkest te bezuinigen.
'Er kon gewoon niets af,' vond-ie. En hij had daar naar verhouding succes mee, want
zo halverwege de jaren dertig zag de honorering van het gezelschap er iets minder
miserabel uit, dan bij de formatie ervan het geval is geweest. Tot Willem I werd
opgevolgd door Willem II. Die hád niks met muziek, dus zag de lol er niet van in.
Koninklijke Hofkapel exit.
N.a.v. een scriptie van Dirk J. Balfoort (1943)
|
|
|