|
Het kluwen van tegenstrijdige linies
Moet er bij een orkest met het kaliber van het Koninklijk Concertgebouworkest
een nieuwe dirigent worden aangesteld, dan zien de orkestleden zich overspoeld
met wijze raad uit alle windstreken. Een openbare toelevering waarin - hoe
kan het anders - de media een hoofdrol spelen.
Dat is een goede gewoonte, want daardoor horen die muzikanten het ook eens
van een ander. Orkestmusici hebben namelijk de onbedwingbare behoefte hun eigen
collectieve positie als middelpuntvliedende kracht van de orkestrale besluitvorming
te beschouwen. Natuurlijk is men niet doof of blind voor zakelijke exploitatie,
artistieke beleidsmotieven en arbeidsvoorwaardelijke problemen, maar als het er op
aankomt bezien de verzamelde musici alles en iedereen vanuit een enkel perspectief:
hun eigen concertpodium. Die sterk introspectieve geesteshouding is natuurlijk niet
uit de lucht komen vallen. Heel het raderwerk staat stil als hun machtige arm dat wil.
Zonder hen klinkt er geen noot.
Daar staat wel tegenover dat de stem des volks lang niet altijd zuiver klinkt, en in
de kunst is dat al helemaal niet het geval. Dus in geval van het zoeken naar een nieuwe
chef-dirigent is een beetje opschudding van buitenaf buitengewoon gezond. Al was het maar
omdat goed onderbouwd extern rumoer onwrikbare opvattingen soms opvallend makkelijk doen
gijpen. En verder is het frappant dat bij zo'n wisseling van de artistieke wacht, een
aantal direct betrokken echelons zich in zo'n tijdvak nu juist terughoudend opstelt. We
spreken hier over het publiek (incluis de schenkers en wervers), de subsidiënten en de
sponsors. Dat is minder merkwaardig dan het lijkt, want het publiek kiest nu eenmaal
geen dirigent, en de subsidiënt is de overheid en als het goed is bemoeit de overheid
zich niet met de inhoud van de kunst. De sponsors tenslotte, vertegenwoordigen het
bedrijfsleven en daar laten ze de beslissingen in dit soort specialistische zaken aan de
professionals. Dat laatste is natuurlijk geen garantie voor succes, want niet alleen in
het praktisch economische leven maar ook in de muziek valt veel beroepsdeformatie waar te
nemen. Je ontkomt er echter niet aan dat voor het kiezen van een muzikale orkestleider een
flinke dosis zelf verworven podiumcompetentie nodig is.
Scheuren in het ijs
Wat de musici vervolgens doen, is te rade gaan bij elkaar. En zij doen dat niet uit
democratische overtuiging maar uit sociaal-realistisch bewustzijn. De benoeming van
een nieuwe chefdirigent kent namelijk tegenstrijdige aspecten en die kunnen - als
scheuren in het ijs - dwars door de orkestrale linies zichtbaar worden. Voorzichtigheid
is hier dus de moeder van de porseleinkast en dat is de reden waarom zelfs de meest
opvliegende participant aan dit proces onder deze omstandigheden zich behoedzamer beweegt
dan gebruikelijk.
Vroeger, zo'n halve eeuw geleden nog, werd een dergelijke benoeming voorgekookt door
een streng geselecteerd gezelschap orkestregenten, dat zonder ruggespraak besliste wie
de orkestleden voor lange tijd de muzikale wet zou gaan voorschrijven. Een pedante maar
voor de buitenwacht eenvoudig te begrijpen benoemingsprocedure. En veel buitenstaanders
begrijpen nog steeds niet waarom een orkest tegenwoordig de grillige weg van het plenair
beraad volgt. Daarom - ter herinnering - nog even dit.
Nu er een eeuwwisseling aan de orde is geweest, valt er een toenemende weemoed met betrekking
tot legendarische dirigenten waar te nemen. Dat mag natuurlijk best. Koketteren met een
kleurrijk verleden is een verleidelijk gezelschapsspel. Minder geslaagd is de één-dimensionale
berichtgeving over het fenomeen. De historische achterkant van dit retrospectief is blijkbaar
zo obscuur, dat die grotendeels buiten de kolommen valt. De
teloorgang van de orkestrale dictatuur blijft daardoor onbesproken. Wie niet beter weet,
zou denken dat de dirigerende potentaat zich zelf heeft afgeschaft. De grootvaders van de
huidige orkestleden herinneren zich die legendarische dirigent nog levendig. Zij noemden hem
cynisch 'hun natuurlijke vijand'. Ik weet het, er bestonden gunstige uitzonderingen. Maar
in het algemeen waren willekeur en armoede troef en stierf je voortijdig dan konden je
nabestaanden ook doodvallen. Zo zag, nauwelijks drie geslachten geleden, de dagelijkse
werkelijkheid van een orkestmuzikant er uit. En alleen zolang de huidige generatie musici
zich op en achter het concertpodium geen oor laat aannaaien, komt die tijd niet weerom. Nu
de reactionaire verhoudingen zijn vervangen door meer verlichte structuren, dient een
dirigent zijn gezag te baseren op artistiek overwicht en een ordentelijk inlevingsvermogen
voor de problemen van hen die hij door de partituur moet loodsen. Dat is nog eens andere
koffie, dan een door regenten gesanctioneerd schrikbewind. Ziedaar, nostalgie is
geschiedvervalsing, daarom snel terug naar de verkiezing van een nieuwe dirigent.
Het antipodisch rollenspel
Om te beginnen heeft ieder orkestlid zich in de loop van de tijd een stellige opvatting eigen
gemaakt, over welke dirigent bij het orkest moet worden aangesteld en welke beter kan verdwijnen
of wegblijven. Orkestleden zijn zo overtuigd van hun artistieke gelijk, dat een collega die er
anders over denkt met gespeelde verbijstering wordt aangehoord.
"Zijn Brahms...dat kán toch niet!"
Het is een antipodisch rollenspel met scherpe kantjes en veel retoriek, maar ook met
straffe spelregels. Want je kunt wel op je ponteneur gaan staan, als orkestlid realiseer
je je toch terdege dat jouw persoonlijke voorkeur slechts één stem van de meer dan honderd
kiesgerechtigden vertegenwoordigt. En je weet ook dat drammen ergernis verwekt en daardoor
contraproductief uitpakt. Nee, al die anderen aan je zijde krijgen, vereist een zo
overtuigend mogelijke analyse van nut en noodzaak. Dat is de reden waarom een musicus
die wil voorkomen dat een bepaalde dirigent tot potentieel kandidaat wordt verheven, in
het onderlinge debat vooral de maestro's kleinigheden prijst: "Oh, absoluut, dáárin is hij heel goed!"
Maar er bestaat gelukkig ook een gemeenschappelijke voedingsbodem die allen bindt. Het artistiek
welslagen is namelijk doorslaggevend voor de publieke relevantie van het betreffende orkest
en bijgevolg van levensbelang voor de musici ervan. Dus welke dirigent het ook wordt, hij
moet de meest geschikte zijn. Niet de aardigste, de leukste of de goedkoopste. Hij hoeft
ook niet per se een Nederlander, Duitser, Rus, Oostenrijker, Italiaan of Let te zijn. Het
enige wat telt is dat hij de meest passende kwaliteiten dient te bezitten om met het mentale
profiel en het muzikale materiaal van het orkest successen te kunnen boeken. Die wetenschap
stuurt, dwars door alle richtingenstrijd heen, alle belangrijke beslissingen die er moeten
worden genomen. De kwaliteit van de concertpraktijk wordt er door bepaald en de trede op de
internationale muzikale ladder met de bijbehorende artistieke status wordt er aan ontleend.
Dus hoe uiteenlopend de individuele beschouwingen ook mogen zijn, de lotsverbondenheid werkt
als middelpuntvliendende kracht bij de collectieve besluitvorming. En zo komt het dat, na
aftrek van alle mitsen en maren, immer weer het ware geloof aantreedt: wat goed is voor het
orkest, is goed voor de musici.
Voorkeur en weerzin
Om nu het kluwen van voorkeur en weerzin met betrekking tot kandidaatdirigenten zoveel
mogelijk te ontstijgen, bundelen de musici allereerst de algemene voorwaarden waaraan de
nieuwe maestro moet voldoen om de officiële goedkeuring van de gezamenlijke orkestleden te
verkrijgen. Die profielschets is even simpel als voorspelbaar: het moet een opperwezen zijn
met een bescheiden karakter. De volmaakte orkestleider dirigeert de sterren van de hemel,
is bescheiden van karakter en laaft zich onophoudelijk aan de wijsheid van de orkestleden.
Op aangeboren, zachtmoedige wijze gebruikt hij het hem gegeven gezag zodat geen teen te lang
is. Hij schudt de handen van hielenlikkers, raaskallers, mierenneukers en slijmjurken. Welnu,
zo'n man bestaat natuurlijk niet en bestond hij wel, dan zou geen orkest het langer dan
drie dagen met hem uithouden.
Nu is een dilemma bij zo'n boven beschreven plenaire discussie, dat wat goed geacht wordt
voor het orkest niet altijd spoort met de belangen van elk individu. Over repertoire,
buitenlandse concertreizen en audio/visuele activiteiten bijvoorbeeld, oordelen musici
onderling zeer verschillend. Dan zijn er verder zaken die intrinsiek onverenigbaar zijn.
Want misschien is een bepaalde kandidaat-dirigent wel goed, maar is hij ook mesjogge.
Natuurlijk, van de gekken moet je het soms hebben en zij vormen in het muziekvak een rijke
bron van anekdotes, maar wel altijd achteraf. In de praktijk verschijnen zulke kleurrijke
dirigenten te laat op de repetities of zeggen hun optredens af. Niet zelden gooien zij naar
eigen willekeur de programma's om en laat hun inlevingsvermogen met betrekking tot de
beroepscomplicaties van musici te wensen over. Maar wellicht ook is de potentiële maestro
te duur, of wil-ie helemaal niet. En ben je een breed georiënteerd orkest, dan koop je niks
voor een dirigent met een smal repertoire. Waar dan weer tegenover staat, dat een allesvertolker
waarschijnlijk weer niet diep genoeg graaft. Ziedaar, bij het zoeken naar de beste dirigent
lopen zaken van zeer uiteenlopende orde dooreen en musici zijn zich dat scherp bewust. En
dan is er tenslotte nog de meedogenloze wet van de spaarzaamheid: want als het (top)dirigenten
betreft regeert de schaarste de markt. Een goed orkest zijn, is dus niet voldoende. Uiteindelijk
kiezen echte interpreten er voor de kwaliteit van het artistieke bestaan veilig te stellen.
Een hoogst onstoffelijk streven, dat ze alleen bij een orkest met gedreven meerwaarde kunnen
waarmaken.
|
|
|