|
Kluwen van tegenstrijdige linies
Jaren 90

Moet er bij een orkest met het kaliber van het Koninklijk Concertgebouworkest
een nieuwe dirigent worden aangesteld, dan zien de orkestleden zich overspoeld
met wijze raad uit alle windstreken. Een openbare toelevering waarin - hoe
kan het anders - de media een hoofdrol spelen.
Dat is een goede gewoonte, want daardoor horen die muzikanten het ook eens
van een ander. Orkestmusici hebben namelijk de onbedwingbare behoefte hun eigen
collectieve positie als middelpuntvliedende kracht van de orkestrale besluitvorming
te beschouwen. Natuurlijk is men niet doof of blind voor zakelijke exploitatie,
artistieke beleidsmotieven en arbeidsvoorwaardelijke problemen, maar als het er op
aankomt bezien de verzamelde musici alles en iedereen vanuit een enkel perspectief:
hun eigen concertpodium. Die sterk introspectieve geesteshouding is natuurlijk niet
uit de lucht komen vallen. Heel het raderwerk staat stil als hun machtige arm dat wil.
Zonder hen klinkt er geen noot.
Daar staat wel tegenover dat de stem des volks lang niet altijd zuiver klinkt, en in
de kunst is dat al helemaal niet het geval. Dus in geval van het zoeken naar een nieuwe
chef-dirigent is een beetje opschudding van buitenaf buitengewoon gezond. Al was het maar
omdat goed onderbouwd extern rumoer onwrikbare opvattingen soms opvallend makkelijk doen
gijpen. En verder is het frappant dat bij zo'n wisseling van de artistieke wacht, een
aantal direct betrokken echelons zich in zo'n tijdvak nu juist terughoudend opstelt. We
spreken hier over het publiek (incluis de schenkers en wervers), de subsidiënten en de
sponsors. Dat is minder merkwaardig dan het lijkt, want het publiek kiest nu eenmaal
geen dirigent, en de subsidiënt is de overheid en als het goed is bemoeit de overheid
zich niet met de inhoud van de kunst. De sponsors tenslotte, vertegenwoordigen het
bedrijfsleven en daar laten ze de beslissingen in dit soort specialistische zaken aan de
professionals. Dat laatste is natuurlijk geen garantie voor succes, want niet alleen in
het praktisch economische leven maar ook in de muziek valt veel beroepsdeformatie waar te
nemen. Je ontkomt er echter niet aan dat voor het kiezen van een muzikale orkestleider een
flinke dosis zelf verworven podiumcompetentie nodig is.
Scheuren in het ijs
Wat de musici vervolgens doen, is te rade gaan bij elkaar. En zij doen dat niet uit
democratische overtuiging maar uit sociaal-realistisch bewustzijn. De benoeming van
een nieuwe chefdirigent kent namelijk tegenstrijdige aspecten en die kunnen - als
scheuren in het ijs - dwars door de orkestrale linies zichtbaar worden. Voorzichtigheid
is hier dus de moeder van de porseleinkast en dat is de reden waarom zelfs de meest
opvliegende participant aan dit proces onder deze omstandigheden zich behoedzamer beweegt
dan gebruikelijk.
Vroeger, zo'n halve eeuw geleden nog, werd een dergelijke benoeming voorgekookt door
een streng geselecteerd gezelschap orkestregenten, dat zonder ruggespraak besliste wie
de orkestleden voor lange tijd de muzikale wet zou gaan voorschrijven. Een pedante maar
voor de buitenwacht eenvoudig te begrijpen benoemingsprocedure. En veel buitenstaanders
begrijpen nog steeds niet waarom een orkest tegenwoordig de grillige weg van het plenair
beraad volgt. Daarom - ter herinnering - nog even dit.
Nu er een eeuwwisseling aan de orde is geweest, valt er een toenemende weemoed met betrekking
tot legendarische dirigenten waar te nemen. Dat mag natuurlijk best. Koketteren met een
kleurrijk verleden is een verleidelijk gezelschapsspel. Minder geslaagd is de één-dimensionale
berichtgeving over het fenomeen. De historische achterkant van dit retrospectief is blijkbaar
zo obscuur, dat die grotendeels buiten de kolommen valt. De
teloorgang van de orkestrale dictatuur blijft daardoor onbesproken. Wie niet beter weet,
zou denken dat de dirigerende potentaat zich zelf heeft afgeschaft. De grootvaders van de
huidige orkestleden herinneren zich die legendarische dirigent nog levendig. Zij noemden hem
cynisch 'hun natuurlijke vijand'. Ik weet het, er bestonden gunstige uitzonderingen. Maar
in het algemeen waren willekeur en armoede troef en stierf je voortijdig dan konden je
nabestaanden ook doodvallen. Zo zag, nauwelijks drie geslachten geleden, de dagelijkse
werkelijkheid van een orkestmuzikant er uit. En alleen zolang de huidige generatie musici
zich op en achter het concertpodium geen oor laat aannaaien, komt die tijd niet weerom. Nu
de reactionaire verhoudingen zijn vervangen door meer verlichte structuren, dient een
dirigent zijn gezag te baseren op artistiek overwicht en een ordentelijk inlevingsvermogen
voor de problemen van hen die hij door de partituur moet loodsen. Dat is nog eens andere
koffie, dan een door regenten gesanctioneerd schrikbewind. Ziedaar, nostalgie is
geschiedvervalsing, daarom snel terug naar de verkiezing van een nieuwe dirigent.
|