|
Het repertoire als klankbeeld
Ergens in het jaar 1957, het was een zondagmiddag, begaf ik mij naar
het Amsterdamse Concertgebouw. Als student aan het hoofdstedelijk
Conservatorium had ik mij een goedkoop studentenabonnement op de
concerten van het Concertgebouworkest weten aan te schaffen en het
programma van die matinee vermeldde La Mer van Claude Debussy. Een
compositie waarvan ik ooit een stukje op de radio had gehoord, wat
mij vervolgens naar Alsbach en Doyer in de Kalverstraat had doen
snellen om er een partituur(tje) van aan te schaffen. Razend benieuwd
was ik, naar hoe dat duizelingwekkende notenbeeld in de praktijk tot
klinken zou worden gebracht
De zaal was stampvol en om die reden had men voor de muziekstudenten,
achter de contrabassisten, een aantal losse stoelen neergezet. Mijn medestudenten
keken tegen de ruggen van de bassisten, doch mijn zetel bleek de buitenste en
was door ruimtegebrek halfjes op de laatste tree van de lange dirigententrap
gesitueerd. In dit vrije zicht nam ik plaats en vouwde het minipartituurtje in
de linkerhand op bladzijde 1. Vervolgens openden zich de grote podiumdeuren en
schreed de dirigent onder luid applaus de trap af. Toen dat enkele seconden had
geduurd, klonk achter mij een stem die op pesterige toon riep: "Hé joh, ga eens
opzij met je dikke reet."
Als door een adder gebeten keek ik om en daar stond hij: Eduard van Beinum.
Grijnzend, want ik vormde in het geheel geen obstakel voor zijn doorgang maar hij
wilde gewoon even een muziekstudent-met-partituur jennen.
De uitvoering van La Mer was verpletterend. Van Beinum dirigeerde zonder
bâton, swingend vanuit de heup en met kleine bewegingen. Die opzettelijke
bewegingsbeperking, zo leerde ik zelf later, maakte de gebaren die er werkelijk
toe deden als bakens in een zee van geluid. Het orkest hing aan zijn vingers. In
contrast met Van Beinums minieme gestiek overspoelde de muziek als een brekende
branding het concertpodium. Een licht-en-schaduwspel met frêle verstilling en
verbluffend transparante fortissimo's. Muziek die de zaal in haar macht nam, zonder
te intimideren. En dat alles zonder merkbaar zwoegen om een innerlijk voorgesteld
klankbeeld te bereiken, want dat was er namelijk al voor het begon. Stupéfait was
ik en zo was mijn eerst kennismaking met muzikale identiteit.
Nu nog is de LP die van die uitvoering werd gemaakt (samen met de Nocturnes,
Berceuse héroïque en de Marche écossaise [Philips A00441]) legendarisch.
Geen wonder dat elke leerlingkapelmeester die Franse muziek wil dirigeren, nog
immer de opdracht krijgt deze plaat te bestuderen. En omdat Bernard Haitink in zijn
Franse repertoire sterk refereerde aan Van Beinum, bleef het Concertgebouworkest tot
in de jaren tachtig in de internationale muziekwereld bekend als het orkest dat naast
Mahler en Bruckner zo goed Franse muziek kon spelen. Ook dat was identiteit.
In het hedendaagse Oostenrijks/Russische geweld van Bruckner, Mahler en Sjostakovitsj
is het Franse repertoire bij de meeste 'grote' orkesten - dus ook bij het KCO - inmiddels
teruggebracht tot een aantal hig lights. En die ontwikkeling stamt niet van gisteren,
maar is een trend die al geruime tijd gaande is. Onvermijdelijk dat de klank van het
Concertgebouworkest opschuift naar een idioom dat dichter bij Berlijn ligt en verder van
Parijs. Of dat erg is moet ieder voor zich bepalen, maar het doet wel afbreuk aan de
oorspronkelijke orkestrale eigenheid.
Nadat de laatste ovaties waren verklonken schoof Van Beinum, transpirerend en met wallen
onder de ogen, langs mij heen de trap op. "Durf je nog?" grinnikte hij.
|
|
|