|
De kantine als dorpspomp
Jaren 90

Wie zich op het podium ook maar een beetje groter maakt dan hij in werkelijkheidis,
valt er meedogenloos door de mand. Het concertplatform is een onbarmhartige
leugendedector, die de bespelers ervan tot onvrijwillige bescheidenheid dwingt.
Gewoon kantine, dus.
Alhoewel, gewoon is ook niet helemaal waar. Allereerst reflecteert de muzikantenkantine
het belang dat de architect, respectievelijk de financier van de concertzaal aan de
personeelsaccommodatie hechtte. De kwaliteit van de ruimte weerspiegelt als het ware
het sociale inlevingsvermogen van de ontwerper of opdrachtgever in kwestie. Aan de
kantine is af te lezen, hoeveel medemenselijkheid de bouwmeester of de raad van
commissarissen ten opzichte van de werkvloer betrachtte. Kapitaal versus arbeid, als
het ware. En je kunt niet anders zeggen, de Concertgebouwkantine scoort bovenmodaal.
Maar hoe de betreffende locatie ook mag zijn uitgevoerd, een kantine is nooit alleen maar
een plek voor eten en drinken. De kantine is eerst en vooral het dorpsplein van het bewuste
concertgebouw of theater. Zij is de pleisterplaats van alle artistieke stamgasten en
andersoortige zaalmedewerkers. Daar, bij de dorpspomp rond de koffiemachine en de belegde
broodjes, gonzen de feiten en zoemen de ficties. Daar fluistert de geruchtenmachine
onophoudelijk, en snellen Wahrheid und Dichtung van oor tot oor. Daar lobbyen de musici
hun voorkeuren, ventileren zij hun weerzin en broeit immer de veenbrand van de culturele
revolutie. In de kantine worden agenda's doorgenomen, vergaderingen voorgekookt en
strategieën uitgezet. Dus is het daar ter plekke, dat de gekozen orkestvertegenwoordigers en
andere beslissingsbevoegden worden bestookt met dringende aanbevelingen, bepaalde dingen wel
of juist niet te doen. De kantine is daarom ook het plaatselijke Binnenhof.
Maar er is meer. Omdat een goede artistieke samenwerking in een grootschalig muzikaal
gezelschap sterk is gebaseerd op onderlinge cohesie, kent de meer intieme conversatie
in de kantine een opvallende gelijkenis met die van een familieberaad. Orkestleden leven
immers in stamverband. Een orkestmusicus mag dan niet de deur plat lopen bij zijn collega's,
hij of zij doet toch liever iets voor een mede-orkestlid dan voor iemand anders. Daarom is de
artiestenfoyer antropologisch gezien een stabiel microklimaat in de storm van het dagelijkse muzikantenleven.
|