|
Het geestverruimend doolhof
Halverwege de jaren zestig (u weet wel, de verbeelding aan de macht
en smoke gets in your eye) werd op de vooruitgeschoven posten van de
internationale toonkunst het zogenoemde totaaltheater als het nieuwe
geloof omarmd. Muziek, ballet, beeldende kunst, poëzie, film en wat
al niet, moest tot één alles omvattende creatie worden gebundeld,
zodat de afzonderlijke muzische verschijningsvormen konden opgaan
in een nieuwe, multidisciplinaire entiteit die een hogere artistieke
dimensie vertegenwoordigde. Een pretentie waar een gewoon mens
ademnood van zou krijgen, maar wel iets vertelt over de toenmalige
tijdgeest.
Om de trend van die psychedelische jaren niet te missen, besloot
ook het Holland Festival een totaaltheater-productie te brengen. Het
werd Labyrint van Peter Schat. Achteraf bleek Labyrint gewoon
een opera, waarvan het theatrale bestanddeel was opgeblazen tot een soort
Fellini-spektakel. Destijds was het evenwel een met sappige voorpubliciteit
begunstigd muziekcircus, dat lachbuien en onbehagen in Theater
Carré veroorzaakte. Bovendien droeg Labyrint een maatschappijkritische
signatuur, dus had - voor er nog een noot was gespeeld - al voor- en
tegenstanders. En die sloegen elkaar in kranten en tijdschriften met
zulk een polariserend geweld om de oren, dat zelfs de landelijke
politiek er zich mee ging profileren. De socialistische voorman
Den Uyl ging met Schat op de foto en de conservatieve senator van
Riel voelde meer voor de oproerpolitie. Vriend en vijand waren het
echter over één ding eens: Labyrint was voor Nederland een
volstrekt nieuw muziektheater-evenement.
Omdat in de partituur aan de percussie-instrumenten een hoofdrol
was toebedeeld, had de regisseur ons slagwerkers een letterlijk verheven
positie toegewezen. Hoog uit torenend boven het speelvlak en roffelend
op een batterij Afrikaanse spleettrommen (etnisch was ín), speelden er
zich diep onder ons schilderachtige taferelen af. Onder leiding van
dirigent en primo-pagliaccio Bruno Maderna, baande langs alle hoeken
en gaten van Carré een kakelbonte stoet muzikanten, acteurs, prima
donna's, ballerina's, komieken, acrobaten, dwergen en vuurspuwers
zich een weg langs nooit eerder begane paden van de theatrale
uitvoeringspraktijk. Een onderneming die reeds bij de eerste voorbereidingen
tot hevige commotie onder de deelnemers had geleid, want alles moest anders.
Componist en regisseur vergden van de uitvoerenden een inlevingsvermogen
tot aan de uiterste grenzen van de groei. De performance namelijk, was
tenminste zo belangrijk als het klinkend resultaat. Een aanpak die z'n
hoogtepunt vond in een ernstig bedoelde maar hilarisch uitpakkende scène,
waarin acteur Ko van Dijk door een zwarte bokser achterna gezeten werd
en schreeuwend en tierend dwars door het Utrechts Symfonie Orkest en
zijn instrumentenverzekering heenstormde. Om de klappen te ontvluchten die
door de pisnijdige musici niet altijd ontweken konden worden. Running gag
van de voorstelling was Henk van Ulsen als krankzinnig geworden fotograaf,
voor wie het flitsen een dwangneurose was geworden. Als een lijmsnuiver
droeg hij het fototoestel onder de neus en bestookte spelers en publiek
met een spervuur van flash-light. Tot ergernis van de musici, die na
zo'n frontale lichtflits hun bladmuziek nog lange tijd in een blinde
vlek verduisterd zagen. Verder was boven de piste een web van touwen
gespannen, waarover zich - kwijlend van inspanning - acrobaten bewogen.
Waarbij de onderzittende strijkers zich tot de risicogroep rekenden en
daar luidruchtig tegen fulmineerden. Sinds de Belgische opstand van 1830
naar aanleiding van een uitvoering van de Stomme van Portici, had
geen Nederlandse muziekproductie zo'n opschudding gewekt. Iedereen schold,
alles ging fout, maar niemand liep weg.
Nu, veertig jaar later, is Labyrint een van die herinneringen aan een
quasi naïef tijdperk, waarin serieus werd gedacht dat de culturele revolutie van
Mao Tse Toeng duizend bloemen zou doen bloeien. Later bleken de politieke helden
erger dan de kwaal. Wat in het geheugen beklijfde was de lol van de opwinding.
|
|
|