|
Het gebaar
Het enig juiste gebaar en het achterwege laten van overtollige bewegingen:
ziedaar de kern van waar het om draait bij het dirigeren van een symfonieorkest.
Over die bewegingsleer van het kapelmeesterschap is in de loop der jaren veel
geschreven. Kasten vol studieboeken waarin tot in het kleinste detail beschreven
staat, op welke wijze de handen van de maestro het muzikale metrum in geometrische
figuren moeten weergegeven.
Hoe de maat te slaan, dus. Elke zichzelf respecterende muziekbibliotheek -
waar ook ter wereld - telt metersbrede boekenplanken met doorwrocht instructiemateriaal,
waarmee een aspirant-dirigent zich tot in de finesses kan bekwamen in de fysieke
vaardigheden van de orkestrale directie; de bewegende kunst die in het muzikaal
vakjargon takteren wordt genoemd.
Helaas, de praktijk is weerbarstiger dan de leer. Kwam die muziekwetenschappelijke
kijk op dirigeren ook maar enigszins overeen met de realiteit op het concertpodium,
dan was de muziekwereld dichtbevolkt met wijze oude maestro’s en aanstormend dirigeertalent.
Bovendien waren dan de honoraria van dirigenten een stuk democratischer getint dan thans het
geval is. Want laat niemand zich vergissen, achter de schone schijn van het wereldberoemde
toporkest met zijn gevierde dirigent(en) tandenknarst het muzikantenkorps over de
buitenproportioneel opgelopen beloningsverschillen tussen de bejubelde orkestleiders
en de verzamelde orkestleden die uiteindelijk het werk moeten doen. Een immer smeulende
veenbrand van sluimerende onvrede, die op het podium tot open vuur kan oplaaien als een
van beide partijen zich iets te weinig aan de ander gelegen laat liggen. Het is dan ook
om die reden dat het dirigenten en orkestleden verboden is, zich in het openbaar al te k
ritisch over elkaar uit te laten. De afweging die daaraan ten grondslag ligt is een
prozaïsch logische.
De dirigent die zijn musici publiekelijk afvalt, geeft er blijk van geen greep
te hebben op de psychologische omgeving in zijn eigen orkest. Dat hoeft niet
noodzakelijkerwijs alleen maar zijn schuld te zijn, maar hij is er in ieder geval
niet in geslaagd de samenwerking tot een succes te maken. Een dirigent die zich in
zijn ergernis of vertwijfeling tot een publicitaire strafexercitie laat verleiden,
trekt openlijk ten strijde tegen zijn eigen orkestleden en brengt daarmee het slechtste
in hen boven. De contra-attaque van het orkest kan hij per kerende post verwachten.
En betreft het bij een dergelijke bonje de situatie bij een toporkest, dan luistert
de hele muziekwereld muisstil en met gespitste oren mee.
Ter andere zijde moeten orkestmusici die een dirigent in het openbaar van kanttekeningen
voorzien er op rekenen, dat die maestro uit nijd en zelfrespect hun orkest nooit meer zal
willen dirigeren. En het orkest dat zoiets te vaak overkomt, maakt zich bij de grote
kapelmeesters niet populair. Met welk gedrag het zich in grote artistieke problemen dreigt
te manoeuvreren. Kortom, beide partijen hebben elk hun persoonlijke redenen de samenwerking
zo lang mogelijk chic te houden.
|
|
|