|
De eerste fixatie
"Ik voel me betrapt in de intimiteit van mijn bestaan!" Zo protesteerde
eens een collega-musicienne naar aanleiding van mijn columns en verhalen
in Preludium, het programmablad van het Concertgebouw en het Koninklijk
Concertgebouworkest. Terwijl ik toch met geen woord over haar privé-aangelegenheden
had gerept. Toch had ze niet helemaal ongelijk.
De relatie tussen een beroepsmusicus en het door haar of hem bespeelde muziekinstrument
vertegenwoordigt de ultieme haat-liefdeverhouding. En die alles overheersende emotionele
afhankelijkheid beïnvloedt elk aspect van een muzikantenleven, dus ook de meest
persoonlijke kanten ervan. Bovendien vereist werken in een symfonieorkest, onvoorwaardelijke
onderwerping aan de vaak bizarre normen en waarden van de orkestrale uitvoeringspraktijk.
Dat alles maakt orkestmusici weinig mededeelzaam over hun doen en laten, op en achter het
concertpodium. Omdat het een buitenstaander niet goed valt uit te leggen, hoe het is een
individualist in een muzikale menigte te moeten zijn. Een enkeling in een leger van
zelfovertuigde, vakkritische geschoolde soortgenoten. Geen eenzamer mens dan een muzikant
die zich, bij het naderen van een lastige solopassage, voelt als de voetballer die de
beslissende strafschop nemen moet. Er is zwaar op geoefend, dus op papier kan er weinig
fout gaan. Maar omdat het gemeenschappelijk belang een goede afloop vereist, sluipt
toch de faalangst als een hyena rond de gemoedsrust. Ziedaar de kloof tussen de leer
en de realiteit. Het meedogenloze verschil tussen de theorie van de studeerkamer en de
praktijk op het concertpodium.
Kijken wij met die ogen naar het Koninklijk Concertgebouworkest. Het Koninklijk
Concertgebouworkest is zozeer Hollands dat het nergens anders dan in de Nederlandse
maatschappij zou kunnen gedijen. Met zijn historisch gegroeide interne verhoudingen
weerspiegelt het Koninklijk het Koninkrijk in zakformaat. De intramurale verhoudingen
weerspiegelen dat. Binnen het instituut beweegt zich een kleurrijk politiek-maatschappelijk
krachtenveld, maar in de praktijk regeert immer het brede centrum. Hardliners kent het orkest
ook, maar ze zijn niet erg populair. Een gesloten gemeenschap als dat van een symfonieorkest
is niet gebaat bij al te scherpe tegenstellingen in het dagelijkse beroepsdebat. Wie voortdurend
en vaak en dag en nacht met vakbroeders onderweg is, wil het graag een beetje gezellig houden.
En een al te confronterende attitude werkt daar niet aan mee.
Ook de burgerlijk-democratische wijze waarop de orkestleden hun belangenbehartiging op afstand
delegeren (een beroepsvereniging die deel uitmaakt van het eigen stichtingsbestuur) is Made
in Holland, want verwijst ontegenzeglijk naar het Nederlandse overlegmodel.
Nieuwe - en zeker nieuwe buitenlandse - orkestleden worden daarom massaal collegiaal begeleid bij
hun onderdompeling in de Amsterdamse orkestrale zeden en gewoonten. Die aandrang tot collectieve
opvoeding spruit voort uit de behoefte aan een vreedzame coëxistentie op lange termijn. Om een
ambiance te scheppen, waarin artistieke topprestaties kunnen worden verricht, zonder al te veel
in een muziekfabriek te vervallen.
"Als er iets dodelijk is voor de muziek, dan is het routine." (Mariss Jansons).
|
|
|